ECLI:NL:RBROT:2019:7486

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 september 2019
Publicatiedatum
23 september 2019
Zaaknummer
19.806 ea
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FaillissementswetArt. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens twijfel aan saneringsbereidheid

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Tijdens de zittingen op 24 juni en 4 september 2019 werd haar saneringsbereidheid onderzocht. De rechtbank constateerde twijfel over haar inzet, mede doordat zij geen sollicitaties had overgelegd en haar arbeidsinspanning niet wilde verhogen ondanks een toezegging daartoe.

Verzoekster werkt 20 uur per week en klaagt over fysieke klachten, waaronder versleten heupen en overspanning, wat haar arbeidsmogelijkheden beperkt. De rechtbank acht echter onzeker of deze beperkingen haar werkelijk verhinderen meer te werken, mede gezien het risico op conflicten over de werkverplichting binnen de regeling.

De rechtbank overweegt dat toelating tot de regeling nu te vroeg is, omdat een tussentijdse beëindiging door conflicten over arbeidsplicht zou leiden tot een langdurige uitsluiting van tien jaar. Verzoekster wordt geadviseerd duidelijkheid te verkrijgen over haar arbeidscapaciteit en haar inzet te vergroten om de kans op een succesvolle schuldsanering te vergroten.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek af, zonder te prejudiceren dat er mogelijk ook andere gronden voor afwijzing zijn.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens twijfel aan de inzet en arbeidscapaciteit van verzoekster.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 11 september 2019
[naam 1]
[adres]
[woonplaats]
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 27 mei 2019 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter terechtzitting van 24 juni en 4 september 2019. Bij beide zittingen waren verzoekster en haar twee kinderen [naam 2] en [naam 3] aanwezig, bij de zitting van 4 september 2019 was ook mevrouw [naam 4] van de Kredietbank Rotterdam aanwezig. Ter terechtzitting van 24 juni 2019 is met verzoekster de mogelijkheid besproken om een dwangakkoord ex artikel 287a Fw te onderzoeken. Om verzoekster de tijd te geven hierover met de schuldhulpverlener overleg te kunnen voeren is de zaak twee maanden aangehouden. De schuldhulpverlener heeft de rechtbank per e-mail op 26 juli 2019 bericht geen mogelijkheden voor een dwangakkoord te zien. Daarom is op 4 september 2019 een vervolgzitting geweest.

2.De feiten

Verzoekster ontvangt inkomsten uit arbeid. Zij werkt 20 uur per week. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro € 41.432,30.

3.De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoekster de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
Op de vervolgzitting op 4 september 2019 is bij de rechtbank twijfel ontstaan over de saneringsbereidheid van verzoekster. Twijfel is er of verzoekster zich wel volledig zal inzetten voor de schuldsaneringsregeling en alle daarbij behorende verplichtingen. Uit de rapportage uit het dossier en de e-mail van de schuldhulpverlener van 26 juli 2019 (verstuurd naar aanleiding van het nadere verzoek aangaande een mogelijk dwangakkoord) blijkt namelijk dat het knelpunt tijdens het minnelijk traject de inspanningsverplichting was. De twee weigerende schuldeisers wilden niet instemmen, omdat zij meenden dat verzoekster zich onvoldoende inzette om een zo hoog mogelijke uitdeling aan schuldeisers te realiseren. Volgens de schuldhulpverlener vond verzoekster het niet nodig, om haar moverende redenen, om extra uren te gaan werken. De schuldhulpverlener heeft verklaard dat het de schuldhulpverlener veel overtuigingskracht gekost heeft om verzoekster de mondelinge toezegging te laten doen dat zij haar arbeidsinspanning zou gaan verhogen.
Ter terechtzitting van 4 september 2019 heeft verzoekster een verklaring van haar huisarts overgelegd van 2 september 2019, waarin is aangegeven dat verzoekster versleten heupen heeft en daarvoor behandeling behoeft. Verzoekster heeft ter terechtzitting ook verklaard dat zij al voor 20 uur per week werkt en dat dat haar vermoeit. Ook heeft zij aangegeven dat zij zich zwaar overspannen voelt en dat zij echt niet meer dan 20 uur per week zou kunnen werken.
Verzoekster heeft ter terechtzitting bovendien geen sollicitaties overgelegd, ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling. Verzoekster heeft ter terechtzitting verklaard dat ze niet heeft gesolliciteerd omdat ze weet dat ze niet meer dan 20 uur per week kan werken, vanwege haar leeftijd en haar fysieke gesteldheid.
Naar het oordeel van de rechtbank staat het ter terechtzitting door verzoekster ingenomen standpunt haaks op de toezegging die verzoekster tijdens het minnelijk traject aan de schuldhulpverlener heeft gedaan, namelijk dat zij meer zou gaan werken. De schuldhulpverlener heeft ter terechtzitting ook gesteld dat zij niet geïnformeerd is over de ter terechtzitting door verzoekster geuite psychische en fysieke klachten.
Door het overleggen van de verklaring van de huisarts, de verklaringen van verzoekster ter terechtzitting en het feit dat verzoekster geen sollicitaties heeft overgelegd, afgezet tegen de toezegging van verzoekster aan de schuldhulpverlener om haar arbeidsinspanning te verhogen, is bij de rechtbank twijfel ontstaan of verzoekster wel bereid is om zich volledig in te zetten voor de schuldsanering en haar uiterste best zal willen doen om te voldoen aan de verplichtingen van de schuldsanering, waaronder de werkverplichting.
Ten slotte bestaat er onzekerheid over de mate van arbeidsgeschiktheid van verzoekster. De rechtbank meent dat er een reëel risico bestaat dat – indien verzoekster zou worden toegelaten – er een conflict zou kunnen ontstaan over de sollicitatieverplichting. Uit een medische keuring zou namelijk kunnen volgen dat verzoekster (gedeeltelijk) arbeidsgeschikt zou zijn en meer zou moeten kunnen werken dan 20 uur per week, terwijl verzoekster zou kunnen blijven vinden dat zij niet hoeft te solliciteren, nu verzoekster namelijk heeft verklaard dat zij niet meer kan werken.
Als dit conflict over de arbeidsverplichting daadwerkelijk ontstaat, wordt het risico op een tussentijdse beëindiging reëel. Het gevolg daarvan zal zijn dat verzoekster dan tien jaar lang niet in de schuldsaneringsregeling zal mogen. Daardoor zou verzoekster nog tien jaar extra in een problematische schuldensituatie verzeild zijn.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het thans nog te vroeg is om verzoekster toe te laten tot de schuldsaneringsregeling, omdat het risico dat de regeling tussentijds zou moeten worden beëindigd en verzoekster daardoor tien jaar lang niet in de schuldsaneringsregeling zou mogen, te groot is. Verzoekster dient voor haarzelf duidelijk te krijgen welke arbeidscapaciteiten zij daadwerkelijk heeft en - als dat meer dan 20 uur per week werken inhoudt - dit te accepteren en in de schuldsanering dit als uitgangspunt te nemen. Hierdoor zal haar saneringsbereidheid toenemen en wordt de kans op het behalen van de schone lei reëel.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van E.J.C. Korbee, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 september 2019. [1]