Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2019:7817

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 augustus 2019
Publicatiedatum
8 oktober 2019
Zaaknummer
10/224069-19
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a OpiumwetLijst I bij Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor vervoer en bezit van cocaïne verwerkt in kolen

De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het vervoeren en bezitten van 26 zakken carbongranulaat, waarvan circa twintig procent uit cocaïne bestond, goed voor ongeveer 130 kilogram cocaïne.

De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan twee voorwaardelijk, omdat verdachte meerdere zakken uit de schuur had gehaald en vervoerd en volgens hem wetenschap had van de cocaïne in de zakken. De verdachte ontkende echter kennis te hebben gehad van de inhoud van de zakken.

De rechtbank oordeelde dat ondanks dat verdachte meerdere zakken had vervoerd, er onvoldoende bewijs was dat zij wist van de cocaïne. De verklaring van de verdachte dat zij bezig was in de schuur omdat de medeverdachte was aangehouden, kon niet worden opgevat als wetenschap van de inhoud. Ook de medeverdachte verklaarde dat verdachte niet op de hoogte was van de inhoud.

Gezien het ontbreken van voldoende aanknopingspunten om wetenschap aan te nemen, sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde. Tevens werd gelast dat de in beslag genomen voorwerpen aan verdachte worden teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van wetenschap over de cocaïne in de zakken.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10/224069-19
Datum uitspraak: 6 augustus 2019
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,
raadsvrouw mr. M.M. Koers, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 februari 2019 en 23 juli 2019.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zijn vordering ter terechtzitting als volgt onderbouwd.
Bij de medeverdachte [naam medeverdachte] (verder: de medeverdachte) werden na een TCI-melding in een door de medeverdachte geleende auto en in de schuur van de gezamenlijke woning, in totaal 26 witte zakken van elk 25 kilogram met het opschrift “Carbon Mineral” aangetroffen. De zakken bleken carbongranulaat te bevatten. Na aanvullend onderzoek bleek dat het granulaat voor ca. twintig procent bestond uit cocaïne, zodat sprake is van rond 130 kg cocaïne.
De verdachte heeft meerdere zakken granulaat uit de schuur van de woning vervoerd en in haar auto gelegd. Uit het gesprek, beschreven in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 61 van het dossier, blijkt dat de verdachte op hoogte was van de aanwezigheid van de zakken in de schuur. Uit haar daar weergegeven verklaring kan immers worden opgemaakt dat zij de zakken uit de schuur is gaan halen op het moment dat zij vermoedde dat de medeverdachte [naam medeverdachte] aangehouden was. Uit de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, kan afgeleid worden dat zij - evenals de medeverdachte - wetenschap had van de cocaïne in de zakken carbon.
4.1.2.
Beoordeling
Om te komen tot een bewezenverklaring, moet de rechtbank met een voldoende mate van zekerheid kunnen vaststellen dat de verdachte wetenschap had van de cocaïne in de aangetroffen zakken carbonkolen. De verdachte heeft bij de politie en opnieuw ter terechtzitting verklaard dat zij daar niet van wist.
Vast staat dat de verdachte meerdere zakken carbongranulaat uit de schuur van de woning heeft gehaald en vervoerd. De rechtbank is verder van oordeel dat de door de officier van justitie aangehaalde passage op p. 61 (laatste drie zinnen) van het dossier, waarin een verklaring van de verdachte is opgenomen, niet anders kan worden begrepen als dat de verdachte heeft verklaard dat zij “in de schuur bezig was”, omdat de medeverdachte was aangehouden. Dit vormt een indicatie voor de opvatting dat de verdachte in ieder geval wist of kon vermoeden dat de inhoud van de zakken “verdacht” was.
De rechtbank kan evenwel niet vaststellen dat de verdachte op de hoogte was van de aanleiding en de inhoud van de door de medeverdachte verrichte transactie ten aanzien van de aankoop van de zakken en de te dien aanzien door hem gemaakte afspraken. De medeverdachte heeft ook verklaard dat de verdachte hiervan niet op de hoogte was en dat zij ook niet wist wat er in de zakken zat.
Die omstandigheid, in combinatie met het feit dat de rechtbank in de zaak van de medeverdachte onvoldoende aanknopingspunten heeft gevonden om met voldoende zekerheid vast te kunnen stellen dat hij wist dat zich in de aangetroffen 26 zakken cocaïne bevond, brengt de rechtbank in de onderhavige zaak tot hetzelfde oordeel.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken.
4.1.3.
Conclusie
Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5.In beslag genomen voorwerpen

5.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen voorwerpen verbeurd te verklaren.
5.2.
Beoordeling
Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen voorwerpen.

6.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

7.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan verdachte van zendapparatuur, drie horloges, geldautomaat,
€ 6.500,00.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.M. Munnichs, voorzitter,
en mrs. R. Brand en T. van den Akker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kraaijeveld, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 augustus 2019.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
zij op of omstreeks 9 november 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, een hoeveelheid van
6 zakken, elk inhoudende ongeveer 25 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
en/of
zij op of omstreeks 9 november 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van
20 zakken, elk inhoudende ongeveer 25 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.