Eiser was van 1982 tot 2009 in dienst bij gedaagde en ging in 2012 met pensioen. Zijn pensioenregeling werd uitgevoerd door ZwitserLeven. Gedaagde beëindigde de uitvoeringsovereenkomst met ZwitserLeven per 1 januari 2016 en sloot een nieuwe overeenkomst met een andere verzekeraar voor actieve deelnemers. Eiser vorderde dat gedaagde aansprakelijk werd gesteld voor schade door het niet nakomen van de pensioenovereenkomst, waaronder het niet voortzetten van een uitvoeringsovereenkomst en het uitblijven van indexering.
De rechtbank stelt vast dat de pensioenovereenkomst blijft gelden ondanks het einde van de arbeidsovereenkomst en dat het ontbreken van een uitvoeringsovereenkomst met ZwitserLeven niet automatisch betekent dat gedaagde tekortschiet. De indexering is voorwaardelijk en afhankelijk van beschikbare middelen, die door de lage rentestand en andere factoren nihil zijn geworden. De beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst kan het proces van het opdrogen van het indexeringsdepot hebben versneld, maar dit leidt niet tot aansprakelijkheid van gedaagde.
Verder oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van een eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst en geen schending van goed werkgeverschap. Gedaagde had geen verplichting tot een exit-regeling en het risico voor eiser is beperkt tot het uitblijven van indexering. De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.