ECLI:NL:RBROT:2019:8396

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 oktober 2019
Publicatiedatum
28 oktober 2019
Zaaknummer
ROT 18/5144
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk na intrekking bestuurlijke boete en proceskostenveroordeling

Eiser was beboet met een bestuurlijke boete van €525 wegens een overtreding. Na bezwaar heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken met een besluit van 29 juli 2019, waarmee het bezwaar van eiser werd gehonoreerd. Hierdoor verloor eiser belang bij zijn beroep tegen het bestreden besluit.

De rechtbank oordeelt dat het intrekkingsbesluit een besluit is in de zin van artikel 6:19 Awb Pro en dat de zaak niet heropend wordt. De beslissing om een andere persoon aansprakelijk te houden voor de overtreding valt buiten het bestreden besluit en is niet relevant voor dit geding.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van €170 aan eiser moet vergoeden. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van proceskosten van €36, bestaande uit reiskosten en kosten voor het opvragen van een uittreksel bij de Kamer van Koophandel. Niet nader onderbouwde verletkosten worden niet vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard na intrekking van het primaire besluit; verweerder moet griffierecht en beperkte proceskosten vergoeden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 18/5144

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2019 in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats] (eiser),

en

de Minister voor Medische Zorg, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 3 augustus 2018 (het primaire besluit) waarbij aan hem een bestuurlijke boete is opgelegd van € 525, ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2019. Eiser en zijn vader zijn verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. I.C.M. Nijland BSc.
Na herhaalde verzoeken van de rechtbank om haar te berichten of datgene dat ter zitting aan de orde is gesteld verweerder aanleiding geeft om het bestreden besluit in te trekken of te wijzigen, heeft verweerder de rechtbank bij faxbericht van 17 oktober 2019 een besluit van 29 juli 2019, waarbij verweerder het primaire besluit heeft ingetrokken, toegezonden. Voorts is meegezonden een gedeelte van een beslissing op bezwaar van 17 oktober 2019 ten aanzien van boeteoplegging aan een andere persoon.

Overwegingen

1. Naar het oordeel van de rechtbank moet het besluit van 29 juli 2019 worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van Pro Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat die beslissing ertoe strekt dat het primaire besluit alsnog wordt herroepen, vormt dit in feite een intrekking van het bestreden besluit. Omdat dit besluit van 29 juli 2019 aldus tegemoet komt aan de bezwaren is het beroep niet mede gericht tegen dit besluit.
Dat verweerder thans een andere persoon aansprakelijk houdt voor de overtreding waarvoor eerder eiser is beboet, maakt niet dat die besluitvorming een beslissing oplevert in de zin van artikel 6:19 van Pro de Awb. De beslissing van 17 oktober 2019 en het daarin vermelde besluit van 16 augustus 2019 vallen buiten de omvang van dit geding. Om die redenen ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak te heropenen. Wel heeft het besluit van 29 juli 2019 tot gevolg dat eiser geen belang meer heeft bij zijn beroep.
2. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
3. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt, omdat verweerder met het besluit van 29 juli 2019
tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiser.
4. De rechtbank ziet voorts aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Zij overweegt daartoe dat ter zitting door eiser is aangegeven dat hij proceskosten heeft gemaakt die hij vergoed wenst te zien, dat het door eiser ingediende proceskostenformulier na de zitting naar verweerder is toegezonden, dat verweerder bij zijn nadere besluitvorming daaraan voorbij is gegaan en dat de herroeping van het primaire besluit het gevolg is van het niet door verweerder controleren van de actuele inschrijving van de eerdere eenmanszaak van eiser bij de Kamer van Koophandel. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast op de verzochte vergoeding voor reiskosten tot een bedrag van € 20 en voor de kosten van
€ 16 wegens het opvragen van een recent uittreksel bij de Kamer van Koophandel. De niet nader onderbouwde verletkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 170 vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 36.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 30 oktober 2019.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld het College van Beroep voor het bedrijfsleven.