ECLI:NL:RBROT:2019:8537
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM bij vervolging verzekeringsfraude zonder eigen opsporingsonderzoek
In deze strafzaak staat de verdenking van verzekeringsfraude centraal, waarbij verdachte wordt beschuldigd van het in scène zetten van een aanrijding en het indienen van valse schadeformulieren. Het onderzoek naar deze feiten is volledig uitgevoerd door de verzekeringsmaatschappij, zonder dat het Openbaar Ministerie (OM) zelf een opsporingsonderzoek heeft verricht.
De officieren van justitie stelden dat er wel sprake was van een opsporingsonderzoek onder hun gezag, omdat zij betrokken waren bij de aansturing en correctie van het verzekeringsonderzoek. De rechtbank oordeelt echter dat deze betrokkenheid beperkt was tot de vormgeving en verslaglegging, zonder inhoudelijke bemoeienis met het onderzoek zelf. Hierdoor kan het onderzoek niet worden aangemerkt als een opsporingsonderzoek in de zin van de wet.
De rechtbank benadrukt dat opsporingsonderzoek wettelijk is omschreven en alleen mag worden uitgevoerd door bevoegde ambtenaren, waartoe verzekeraars niet behoren. Het OM heeft daarom niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor vervolging. Gezien het ontbreken van een wettelijk gefundeerd opsporingsonderzoek verklaart de rechtbank het OM niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
De tenlastelegging betreft het valselijk in scène zetten van een aanrijding en het opmaken en gebruiken van valse aanrijdingsformulieren met het oogmerk om de verzekeraar tot uitkering te bewegen. De uitspraak is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 29 oktober 2019.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een eigen opsporingsonderzoek.