De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin verdachte werd verdacht van diefstal met geweld en seksueel misbruik van een minderjarige over een periode van meerdere jaren. De tenlastelegging omvatte onder meer het seksueel binnendringen van het slachtoffer door verdachte en het gebruik van geweld of bedreiging.
Tijdens de zitting werden verklaringen van het slachtoffer en enkele getuigen besproken. Het slachtoffer deed belastende verklaringen over het misbruik, maar deze werden niet ondersteund door voldoende onafhankelijk bewijs. Getuigenverklaringen waren voornamelijk gebaseerd op wat het slachtoffer hen had verteld, waardoor het bewijs onvoldoende steun vond in andere bronnen.
De verdediging voerde aan dat het slachtoffer mogelijk onbetrouwbaar was en dat de verklaringen verband konden houden met andere familieomstandigheden. De rechtbank oordeelde dat het bewijs niet voldeed aan het bewijsminimum zoals vereist in zedenzaken en sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.