ECLI:NL:RBROT:2019:8605

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 oktober 2019
Publicatiedatum
1 november 2019
Zaaknummer
C/10/582101 / KG ZA 19-942
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 254 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot omgangsregeling wegens ontbreken nauwe persoonlijke betrekking

Partijen hadden een affectieve relatie waaruit een minderjarige is geboren. De man vordert in kort geding dat de vrouw wordt veroordeeld tot nakoming van een omgangsregeling met het kind. De vrouw voert verweer en betwist onder meer dat de man een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind heeft.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:377a BW een kind recht heeft op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. In de dagvaarding is echter niet gesteld dat de man zo’n nauwe persoonlijke betrekking heeft. De enkele stelling dat de man het kind enkele malen heeft gezien, is onvoldoende om dit aan te nemen.

Daarom worden de vorderingen van de man afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is gewezen door rechter A. Lablans en op 24 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vordering tot nakoming van de omgangsregeling wordt afgewezen wegens ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
zaaknummer / rolnummer: C/10/582101 / KG ZA 19-942
Vonnis in kort geding van 24 oktober 2019
in de zaak van
[naam eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. A. Aksu te Rotterdam,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. drs. H. Durdu te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding;
  • de conclusie van antwoord.
1.2.
De zaak is behandeld op 10 oktober 2019.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. Aksu;
  • de vrouw, bijgestaan door mr. K. Durdu, die waarnam voor haar advocaat mr. drs. H. Durdu;
  • de heer F. Dekkers namens de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, welke relatie inmiddels is geëindigd.
2.2.
Uit de relatie van partijen is geboren de thans nog minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
2.3.
De minderjarige is niet erkend. De vrouw oefent alleen het ouderlijk gezag uit over de minderjarige. De minderjarige woont bij de vrouw.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert samengevat – veroordeling van de vrouw tot nakoming van de door hem in de dagvaarding omschreven omgangsregeling, op straffe van een dwangsom.
3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en vraagt afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van de man in de kosten van het kort geding.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.1.
Uitgangspunt van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dat een kind recht heeft op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
4.2.
Op grond van artikel 254, lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven.
4.3.
In de dagvaarding wordt niets gesteld over een nauwe persoonlijke betrekking van de man ten opzichte van de minderjarige. Door de man wordt gesteld dat hij de minderjarige een aantal malen heeft gezien, maar dat wordt door de vrouw betwist. Zelfs indien die stelling van de man juist is, is dat onvoldoende om een nauwe persoonlijke betrekking aan te nemen. Reeds daarom moeten de vorderingen van de man worden afgewezen.
4.4.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2019 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.