ECLI:NL:RBROT:2019:8608

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 oktober 2019
Publicatiedatum
1 november 2019
Zaaknummer
C/10/576641 / HA ZA 19-593
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 RvArt. 94 RvArt. 71 lid 2 RvWet op de rechterlijke indeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verwijzing naar kamer voor kantonzaken bij subjectieve cumulatie

In deze civiele procedure vordert Flanderijn dat de rechtbank de zaak verwijst naar de kamer voor kantonzaken, locatie Dordrecht, omdat zij stelt dat sprake is van subjectieve cumulatie waarbij de individuele vorderingen van eisers onder de competentiegrens van € 25.000 liggen. Eisers betwisten dit en stellen dat zij één gezamenlijke vordering hebben die de competentiegrens overschrijdt, waardoor de handelskamer bevoegd is.

De rechtbank overweegt dat bij subjectieve cumulatie in principe per eiser moet worden beoordeeld of de kantonrechter bevoegd is. Echter, omdat de vordering niet is uitgesplitst en de berekening van individuele vorderingen door eisers is betwist, wordt uitgegaan van één gezamenlijke vordering. Deze gezamenlijke vordering overschrijdt de competentiegrens van € 25.000, waardoor de handelskamer bevoegd is.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat de vestigingsplaats van Flanderijn in Dordrecht niet automatisch betekent dat de zaak op locatie Dordrecht moet worden behandeld, aangezien het arrondissement Rotterdam ook Dordrecht omvat. De incidentele vordering tot verwijzing wordt daarom afgewezen en de beslissing over de kosten wordt aangehouden tot de hoofdzaak is beslist.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot verwijzing naar de kamer voor kantonzaken af en bepaalt dat de handelskamer bevoegd is.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/576641 / HA ZA 19-593
Vonnis in incident van 9 oktober 2019
in de zaak van

1.[naam eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser 1] ,
2.
[naam eiser 2],
wonende te [woonplaats eiser 2] ,
3.
[naam eiser 3],
wonende te [woonplaats eiser 3] ,
4.
[naam eiser 4],
wonende te [woonplaats eiser 4] ,
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat mr. R.H. Steensma te Rotterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FLANDERIJN EN VERSLUIJS GERECHTSDEURWAARDERS B.V.,
gevestigd te Dordrecht,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. A.M. van Heest te Rotterdam.
Eisers in de hoofdzaak en verweerders in het incident zullen hierna [eisers] genoemd worden. Gedaagde in de hoofdzaak en eiseres in het incident zal hierna Flanderijn genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 17 juni 2019, met producties;
  • de incidentele conclusie tot verwijzing naar de kantonrechter aan de zijde van Flanderijn;
  • de incidentele conclusie van antwoord aan de zijde van [eisers]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil in het incident

2.1.
Flanderijn vordert dat de rechtbank de zaak verwijst naar de kamer voor kantonzaken, locatie Dordrecht, met veroordeling van [eisers] in de kosten van het incident. Flanderijn heeft daaraan – verkort weergegeven – ten grondslag gelegd dat sprake is van subjectieve cumulatie en dat derhalve voor elke eiser tegenover Flanderijn afzonderlijk de bevoegde kamer dient te worden bezien. Flanderijn meent dat de (gepretendeerde) individuele vorderingen tegen Flanderijn niet boven de competentiegrens van € 25.000,00 uitkomen, zodat ingevolge artikel 93 aanhef Pro en onder a Rv, de zaak door de kantonrechter behandeld dient te worden op grond van artikel 71 lid 2 Rv Pro. Voorts stelt Flanderijn dat, nu zij in Dordrecht gevestigd is, de zaak tevens moet worden verwezen naar de rechtbank Rotterdam, kamer voor kantonzaken, locatie Dordrecht.
2.2.
De conclusie van antwoord van [eisers] strekt tot afwijzing van de incidentele vordering tot verwijzing van de zaak naar de kamer voor kantonzaken, met veroordeling van Flanderijn in de kosten van het incident. Zij hebben daartoe – verkort weergegeven – gesteld dat zij één gezamenlijke vordering hebben waarvan de hoogte de competentiegrens van de kamer voor kantonzaken overschrijdt. Omdat het vanuit proceseconomisch oogpunt onhandig is als eisers voor één rechtsbelang in één feitencomplex afzonderlijke procedures zouden moeten voeren, dient de zaak volgens [eisers] door de rechtbank (kamer voor handelszaken) behandeld te worden.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. In deze zaak is sprake van zogenoemde subjectieve cumulatie (in dezelfde dagvaarding treedt aan de kant van de eisende partij meer dan één partij op). Anders dan bij objectieve cumulatie, waarvoor in artikel 94 Rv Pro een competentieregeling is opgenomen, kent de wet geen competentieregeling in geval van subjectieve cumulatie. In beginsel dient daarom voor elke eisende partij afzonderlijk te worden bezien of de kantonrechter dan wel de kamer voor handelszaken bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
3.2.
Vast staat dat er meer dan één partij optreedt aan de kant van de eisende partij. In het onderhavige geval hebben [eisers] een gezamenlijke vordering ingesteld tegen Flanderijn en deze vordering in de dagvaarding niet verder uitgesplitst, ook niet in het petitum. Flanderijn heeft weliswaar gesteld dat de individuele vorderingen van [eisers] niet boven een bedrag van € 25.000,00 uitkomen, maar dit kan niet worden vastgesteld nu de door Flanderijn gemaakte berekening van die individuele vorderingen door [eisers] is betwist. Om die reden moet voorshands worden uitgegaan van één gezamenlijke vordering. Nu deze vordering de competentiegrens van € 25.000,00 overschrijdt, is niet de kamer voor kantonzaken maar de rechtbank (kamer voor handelszaken) bevoegd. Hierbij wordt nog opgemerkt dat op grond van de Wet op de rechterlijke indeling het arrondissement Rotterdam onder meer het grondgebied van de gemeente Dordrecht omvat. Zaken als de onderhavige kunnen zowel op locatie Rotterdam als locatie Dordrecht behandeld worden (Zaaksverdelingsreglement rechtbank Rotterdam, Staatscourant 2017, 53756). Het enkele feit dat Flanderijn gevestigd is in Dordrecht, betekent niet (automatisch) dat de zaak ook op locatie Dordrecht behandeld wordt.
3.3.
De incidentele vordering zal derhalve worden afgewezen.
3.4.
De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af;
4.2.
houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan;
in de hoofdzaak
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
20 november 2019voor conclusie van antwoord;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2019.2027/1729