7.3.2.Rapportages
Psychiaters drs. Th.J.G. Bakkum en drs. B.G. Brusse hebben een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 september 2019. Dit rapport houdt – onder meer - het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een narcistische persoonlijkheidsstoornis en een antisociale
persoonlijkheidsstoornis. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het laste gelegde en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte beïnvloed. Hij toonde onvoldoende respect voor de rechten van de betrokken slachtoffers, bedroog hen voor zijn eigen belang en hoewel hij zei dat het hem speet, bleek dit niet uit een voldoende berouwvolle, empathische reactie. De verdachte heeft de onderzoekers verteld dat hij opnieuw foto’s ging aftroggelen bij het slachtoffer uit wrok en een gevoel van irritatie, vanwege het feit dat hij langere tijd had vastgezeten. Volgens de onderzoekers is dit passend bij de vastgestelde persoonlijkheidsstoornissen.
De onderzoekers adviseren het ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De vastgestelde persoonlijkheidsstoornissen hebben doorgewerkt in het delict. Hoewel de verdachte op basis van zijn intelligentie en ontwikkelingsniveau cognitief volledig zou moeten weten dat hetgeen hem ten laste is gelegd, niet is toegestaan en moreel verwerpelijk is, kon hij er door zijn persoonlijkheidspathologie moeilijk naar handelen en was onvoldoende in staat om een adequate afweging te maken. Hij bagatelliseerde de ernst van zijn gedrag en was onvoldoende in staat empathie te voelen voor de slachtoffers en de gevolgen voor hen te wegen.
Het recidiverisico wordt door de onderzoekers ingeschat als hoog. Daarbij is van belang dat de verdachte – ondanks opgestelde voorwaarden en maatregelen bij eerdere veroordelingen – steeds zeer snel na zijn vrijlating recidiveerde.
Door de onderzoekers worden geen argumenten gezien om het jeugdstrafrecht toe te passen. De mogelijkheden voor pedagogische beïnvloeding zijn zeer beperkt en er is geen sprake van een ernstige ontwikkelingsachterstand of verstandelijke beperking. Behandeling van de verdachte heeft – met het oog op het verminderen van het recidiverisico – prioriteit boven het continueren van scholing.
Om de kans op recidive te verkleinen achten de onderzoekers een intensieve, klinische behandeling voor de narcistische -en antisociale persoonlijkheidsstoornis noodzakelijk, binnen het kader van een TBS met voorwaarden. Daarbij zal de verdachte inzicht moeten verkrijgen in de aard van zijn stoornissen door middel van psycho-educatie. Daarnaast zal onder meer onderzocht moeten worden of buiten de beschreven persoonlijkheidsstoornissen nog andere oorzaken een rol hebben gespeeld, zal behandeling gericht moeten worden op leren op andere manieren om te gaan met wrok of krenking, moet de verdachte meer inzicht krijgen in zijn eigen emoties (en hoe die kunnen leiden tot (delict)gedrag) en dient het empathisch vermogen van de verdachte zoveel mogelijk ontwikkeld te worden. Tot slot is het belangrijk dat de verdachte leert om op eigen benen te staan en zelf verantwoordelijkheid te dragen voor zijn gedrag. Onderzoekers achten een behandeling in een klinische setting voor volwassenen, zoals De Van der Hoeven Kliniek, noodzakelijk vanwege de intensiteit, maar ook verkleining van de kans dat de verdachte zich aan behandeling onttrekt.
Psycholoog drs. I. Snijders heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd
2 september 2019. De psycholoog heeft – onder meer – gerapporteerd dat bij de verdachte sprake is van een narcistische en een antisociale persoonlijkheidsstoornis, welke stoornissen ten uiting zijn gekomen in het ten laste gelegde in het onvoldoende oog hebben voor de belangen en de behoeften van anderen. De verdachte brengt anderen schade toe in zijn eigen belang en neemt hier geen verantwoordelijkheid voor. Het ontbreekt hem grotendeels aan empathie en berouw. De door de verdachte benoemde motivaties voor zijn delictgedrag (voor de grap en wrok) zijn passend bij zijn persoonlijkheidsproblematiek, maar zeer waarschijnlijk is het dat de verdachte een positieve bekrachtiging van een machtsgevoel heeft ervaren ten opzichte van de slachtoffers. Het is niet uit te sluiten dat dit gevoel een verslavende werking op de verdachte heeft gehad, al dan niet in combinatie met impulscontrole problematiek. Een seksuele component kan niet worden uitgesloten. Onderzoeker adviseert om het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog en er worden geen argumenten gezien om het jeugdstrafrecht toe te passen.
Om recidive te voorkomen is het van belang dat de verdachte intensief wordt behandeld voor de narcistische en antisociale persoonlijkheidsstoornis, waarbij de behandeling kan bestaan uit onder meer psycho-educatie, het bevorderen van gezonde sociale relatievorming, omgaan met krenking, bevorderen van empathie en het versterken van mentaliserend vermogen. Van belang is voorts het betrekken van het systeem bij de behandeling van de verdachte en dan met name met als doel het stoppen van de overbescherming en verwenning, zodat de verdachte succeservaringen op kan doen in het zelf dragen van zijn verantwoordelijkheden en kan leren van lastige situaties als ze niet meer voor hem worden opgelost. Behandeling in een klinische setting is hiervoor het meest geschikt en wordt als noodzakelijk gezien. Vanwege het gebrek aan motivatie voor behandeling, het buiten zichzelf leggen van alle verantwoordelijkheid en het nog altijd bagatelliseren van de gepleegde feiten wordt een strak juridisch kader noodzakelijk geacht, waarbij behandeling is geborgd en er geen vrijblijvendheid meer is. Daarin voorziet een TBS met voorwaarden.
Behandeling in een jeugdsetting wordt door onderzoeker niet geadviseerd omdat dit niet langer passend is bij de pathologie en de mate van volwassenheid van de verdachte. Onderzoeker acht het noodzakelijk dat de verdachte naar een goede setting gaat voor de behandeling van de ernstige persoonlijkheidspathologie en seksueel delictgedrag. Plaatsing op een FPA (Forensisch Psychiatrische Afdeling) of FPK (Forensisch Psychiatrische Kliniek) is geïndiceerd. Een instelling waar aan gedacht kan worden is de van der Hoevenkliniek.
De rechtbank heeft acht geslagen op beide rapporten.
Reclassering Nederland heeft een maatregelrapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd
2 september 2019. Dit rapport houdt - onder meer - het volgende in.
De verdachte komt over als een persoon die zich berekenend lijkt op te stellen en mogelijk vanuit een proceshouding beredeneert en handelt. Dit komt vooral naar voren wanneer de verdachte zijn overweging om het hoger beroep (betreffende de voorwaardelijk PIJ met klinische opname in de Catamaran, aan hem opgelegd in een vorige zaak) in te trekken, motiveert door te stellen dat hij geen TBS-status op zijn naam te willen hebben en dan beter af is met een PIJ-kader. De verdachte heeft in het verleden geen intrinsieke motivatie getoond om behandeling aan te gaan. Hij schermt met het feit dat hij nog geen behandeling heeft genoten, maar neemt hierin geen verantwoordelijkheid voor zijn eigen handelen en houding, welke de start van een behandeling in de weg heeft gestaan. De huidige bekennende houding en de motivatie voor behandeling (binnen De Catamaran) staat lijnrecht tegenover zijn eerdere houding. De verdachte heeft aangegeven zich klinisch op te willen laten nemen binnen de Catamaran, dat hij zich zal conformeren aan de voorwaarden en dat hij zich zal laten begeleiden. Hij geeft aan in te zien dat hij persoonlijke doelen heeft waar hij aan wil werken binnen de klinische behandeling (manipulatie, liegen, grenzen beschermen, empathie, niet arrogant over komen en discipline).
De verdachte heeft aangegeven dat hij hoopt dat de behandelperiode en het toezicht niet te lang zal gaan duren.
Gelet op constante ontkenning ten aanzien van voorgaande delicten is er blijk van verantwoordelijkheid, noch van empathie richting de slachtoffers. De verdachte heeft het onderhavige feit bekend, maar hij geeft erover aan dat het voor hem gelijk is aan 'catfishing'. Hiermee bagatelliseert hij de gevolgen voor het slachtoffer en de ernst van het feit.
Het recidiverisico wordt hoog ingeschat, mede door de herhaaldelijke terugval in soortgelijke feiten. Verschillende malen is gebleken dat de verdachte vervalt in het plegen van delicten wanneer hij óf in vrijheid verblijft óf hij zich in een voorwaardelijk kader beweegt. Een stringent kader wordt noodzakelijk geacht om tot behandeling en inzicht te komen van de problematiek welke leidt tot delictgedrag en recidive veroorzaakt.
Op grond van het recidiverisico, de criminogene factoren en de eventuele interventies in het verleden, is een toezicht op bijzondere voorwaarden met (gedrags-)interventie en/of
behandeling(en) geïndiceerd.
Daar de verdachte ten aanzien van het onderhavige ten laste gelegde een bekennende verdachte is en er enigszins overeenstemming is betreffende het delict en de persoonlijkheidsproblematiek en hij openstaat voor behandeling en toezicht, maakt dat er uitvoering gegeven kan worden aan de maatregel van TBS met voorwaarden, welke voorwaarden onder meer inhouden het zich onthouden van het plegen van strafbare feiten, zich houden aan de meldplicht bij de reclassering, opname en behandeling in een door NIFP/ IFZ nader te bepalen instelling en zich houden aan de aanwijzingen die hem in
het kader van die behandeling worden gegeven (ook als dat inhoudt het innemen van voorgeschreven medicatie), zich aansluitend aan de klinische behandeling laten opnemen in een (F)RIBW voor ambulante begeleiding, het niet zonder toestemming van de reclassering verhuizen, inzicht verschaffen in financiën en meewerken aan bewindvoering en budgetbeheer, meewerken aan controles door de wijkagent van de woning en gegevensdragers en het hebben van een structurele dagbesteding.
Geadviseerd wordt tevens om de dadelijke uitvoerbaarheid van de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht te bevelen (DUT). De kans is aanzienlijk dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen – of gevaar veroorzaakt – voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op dit rapport.