De zaak betreft een vordering van JJR Vastgoed tegen een stichting en haar bestuurder wegens huurachterstand over de periode mei 2017 tot mei 2018 van units aan een adres. Hoewel er geen schriftelijk huurcontract is ondertekend, oordeelt de rechtbank dat uit de handelswijze van partijen een huurovereenkomst is af te leiden.
JJR Vastgoed vordert betaling van de huurachterstand, boeterente, incassokosten en proceskosten. De stichting erkent dat zij een vergoeding van € 1.050 per maand heeft betaald, maar betwist de boeterente en stelt dat het dossier gesloten zou worden na oplevering van de units.
De rechtbank onderzoekt de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder en concludeert dat deze niet aansprakelijk is omdat er geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. De huurprijs wordt vastgesteld op € 1.050 per maand en de huurachterstand wordt berekend op € 8.961,25. De boeterente wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van aanvaarding van de algemene voorwaarden.
De wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De stichting wordt veroordeeld tot betaling van € 9.888,12 plus rente en proceskosten. De vordering tegen de bestuurder wordt afgewezen.