Verzoeker heeft op 5 augustus 2019 een verzoek ingediend ex artikel 287b Faillissementswet voor een voorlopige voorziening om ontruiming van zijn woonruimte te voorkomen. De rechtbank heeft op 8 augustus 2019 de zaak behandeld en de uitspraak bepaald op 15 augustus 2019.
Verzoeker stelt dat hij slachtoffer is van bankpasfraude sinds november 2018, waardoor hij zijn huur niet kan betalen. Er is echter geen aangifte gedaan van deze fraude en de bankrekening is inmiddels opgeheven. Verzoeker heeft een kort geding gestart tegen de bank om het resterende saldo vrij te krijgen en een aanvraag gedaan bij het Noodfonds voor financiële steun.
Verweerster stelt dat de huurachterstand inmiddels bijna € 5.000 bedraagt en dat de lopende huurtermijnen al sinds oktober 2018 niet worden voldaan. Verweerster twijfelt aan de bankpasfraude omdat er geen aangifte is gedaan en de huurachterstand al bestond voordat de fraude zou hebben plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming, maar dat het belang van verweerster zwaarder weegt dan dat van verzoeker. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij op korte termijn de huur kan betalen. De gang van zaken rondom de vermeende bankpasfraude komt de rechtbank niet aannemelijk voor. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.