ECLI:NL:RBROT:2019:9298
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende controle verslaving en niet te goeder trouw ontstaan schulden
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft verzoeker gehoord en het verzoek twee weken aangehouden om een verklaring van de behandelaar over de controle van de verslaving te overleggen. Deze verklaring is niet overgelegd.
De schuldenlast bedraagt ruim €29.000, waaronder een fraudeschuld aan het UWV, belastingschulden en schulden bij telecombedrijven en het CJIB. De rechtbank oordeelt dat deze schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan, mede omdat verzoeker onvoldoende heeft gedaan om de uitkeringsinstantie en belastingdienst juist te informeren en omdat sprake is van overbesteding.
Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat de verslaving al enige tijd onder controle is, wat een vereiste is voor toelating tot de regeling. Verzoeker heeft ook andere verplichtingen, zoals budgetbeheer en beschermingsbewind, niet tijdig opgepakt. Gezien deze omstandigheden bestaat gegronde vrees dat verzoeker zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet zal nakomen.
De rechtbank wijst het verzoek af en wijst erop dat tegen deze uitspraak hoger beroep mogelijk is binnen acht dagen na uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende controle over de verslaving en niet te goeder trouw ontstaan schulden.