4.2.Tijdens de behandeling van zijn bezwaarschrift heeft eiser een schriftelijke leenovereenkomst overgelegd waarin een bedrag van €650,- wordt genoemd. De overeenkomst is gedateerd op 1 september 2017, maar of deze ook echt op die datum is gesloten is twijfelachtig. Eiser heeft in het gesprek op 24 januari 2018, volgens het verslag dat daarvan gemaakt is, immers verklaard dat hij voor dit bedrag geen leenovereenkomst heeft gesloten. Weliswaar ontkent eiser die verklaring later, maar dat is onvoldoende om te twijfelen aan de inhoud van de rapportage heronderzoek. Eiser heeft de inhoud van het rapport ook pas in beroep betwist en heeft pas na de hoorzitting in bezwaar de leenovereenkomst overgelegd, terwijl verweerder reeds tijdens het heronderzoek, te weten in de brieven van 12 januari 2018 en 3 mei 2018 heeft verzocht om een verklaring van de persoon die het geld op eisers bankrekening heeft overgemaakt. Ook is het de rechtbank opgevallen dat de leenovereenkomst 31 december 2018 zowel noemt als uiterste datum waarop het bedrag aan eiser kan worden uitbetaald als waarop eiser alles moet hebben terugbetaald. Dat roept vraagtekens op.
5. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de bijschrijvingen en contante stortingen terecht heeft aangemerkt als inkomsten van eiser die op de aan hem verleende bijstand in mindering moeten worden gebracht. Door van de ontvangst van deze bedragen geen melding te maken bij verweerder, heeft eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het had eiser naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de bijschrijvingen en stortingen van invloed konden zijn op zijn recht op bijstand en dat hij deze bij verweerder moest melden. Op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw was verweerder dan ook gehouden om het recht op bijstand van eiser te herzien. Hieruit vloeit tevens voort dat verweerder op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw verplicht was de ten onrechte verleende bijstand van eiser terug te vorderen. Tegen de terugvordering zijn door eiser geen beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.
6. Gelet op het feit dat verweerder primair besluit I heeft ingetrokken en een nieuwe beslissing heeft genomen, waarin de referteperiode is aangepast, had het bezwaar van eiser voor zover gericht tegen primair besluit I, in plaats van ongegrond niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Het beroep is dus in zoverre gegrond, de beslissing op bezwaar moet in zoverre worden vernietigd en de rechtbank zal in zoverre zelf in de zaak voorzien. Voor het overige blijft de beslissing op bezwaar in stand.
7. We ziet de rechtbank in het voorgaande aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
8. De rechtbank ziet ook aanleiding verweerder (deels) te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpr) op € 1.024,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 0,5). Bij het bepalen van de wegingsfactor heeft de rechtbank artikel 2, derde lid, van het Bpr toegepast. Het gebrek dat de rechtbank hiervoor in 6. heeft benoemd heeft voor partijen in hun geschil immers geen rol van betekenis gespeeld.