ECLI:NL:RBROT:2019:9557

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 december 2019
Publicatiedatum
6 december 2019
Zaaknummer
585438 / HA RK 19-1323
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter in civiele procedure over funderingsonderzoek

In een civiele procedure over een geschil rondom een funderingsonderzoek heeft verzoekster wraking van de rechter gevraagd. Verzoekster betwistte de formulering en afkadering van de onderzoeksopdracht aan de deskundige, omdat zij meende dat dit de mogelijkheid tot het verkrijgen van bewijs beperkte en daarmee de rechter partijdig was.

De rechter had een deskundigenonderzoek bevolen met vragen die het onderzoek kaderden, maar verzoekster wilde een uitgebreider funderingsonderzoek. De rechter gaf aan dat partijen de deskundige mochten verzoeken om aanvullende informatie en dat hoger beroep mogelijk was tegen het vonnis.

De wrakingskamer oordeelde dat procesbeslissingen in beginsel geen wrakingsgrond vormen, tenzij sprake is van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid. Die aanwijzingen ontbraken hier. De rechter werd geacht onpartijdig te zijn en het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens ontbreken van aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer voor wrakingszaken
Zaaknummer / rekestnummer: 585438 / HA RK 19-1323
Beslissing van 6 december 2019
op het verzoek van
[naam verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
strekkende tot wraking van:
mr. C.H. de Kemp-Randewijk, rechter in de rechtbank Rotterdam, team kanton (hierna: de rechter).

1.Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 13 september 2019 heeft ten overstaan van de rechter de comparitie van partijen plaatsgevonden in de civielrechtelijke procedure van [naam eiseres] , eiseres (hierna: mevrouw [naam eiseres] ), tegen verzoekster als gedaagde. Die procedure draagt als kenmerk 7714274 CV EXPL 19-18374.
Op 18 oktober 2019 heeft de rechter vonnis gewezen, waarbij zij, alvorens verder te beslissen, een deskundigenonderzoek heeft bevolen.
Bij brief van 4 november 2019, door de rechtbank ontvangen op 5 november 2019, heeft verzoekster wraking van de rechter verzocht.
Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt:
- het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting;
- het hiervoor genoemde vonnis;
- de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek.
Verzoekster en de rechter zijn uitgenodigd voor de zitting waarop het wrakingsverzoek is behandeld.
De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 11 november 2019.
Ter zitting van 22 november 2019, waar het wrakingsverzoek is behandeld, is verzoekster verschenen.

2.Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoekster het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :
Verzoekster heeft mevrouw [naam eiseres] opdracht gegeven een funderingsonderzoek aan haar woning uit te voeren. Zij betwist de juistheid van het rapport dat mevrouw [naam eiseres] naar aanleiding van haar onderzoek heeft opgesteld. Verzoekster stelt dat er sprake is van scheefstand van één van de funderingspalen. Daarvan blijkt niets uit het rapport.
Verzoekster heeft de rechter verzocht om een deskundige te benoemen om uitsluitsel te geven over de ernst en de locatie van de scheefstand van haar woning en de staat van de fundering van haar woning.
Na de zitting van 13 september 2019 heeft verzoekster, conform het verzoek van de rechter, onderzoeksvragen opgesteld ten behoeve van het deskundigenonderzoek. Zij heeft de vragen zo geformuleerd, dat de antwoorden daarop informatie geven over de staat van haar woning en de fundering. De in het vonnis van 18 oktober 2019 opgenomen vragen leveren echter een dusdanige beperking op dat van een nieuw funderingsonderzoek geen sprake is. Daardoor is verzoekster niet in staat bewijs te vergaren. Deze gang van zaken leidt tot de conclusie dat de rechter partijdig is. Ter zitting heeft verzoekster te kennen gegeven dat de keuze van de benoemde deskundige en de hoogte van het aan de deskundige te betalen voorschot geen grond meer vormen van haar wrakingsverzoek.
2.2
De rechter heeft niet in de wraking berust.
De rechter heeft te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
In het vonnis staan vragen aan de benoemde deskundige geformuleerd. Daarnaast staat uitdrukkelijk in het vonnis dat het partijen vrij staat aan de deskundige verzoeken te doen.
Verder heeft verzoekster de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan, indien zij het niet eens is met het vonnis van 18 oktober 2019.

3.De beoordeling

3.1
Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoekster geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.
3.2
Aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
3.3
Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar is deze niet doorslaggevend.
3.4
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.
De civielrechtelijke procedure is gestart naar aanleiding van een onbetaalde factuur. Mevrouw [naam eiseres] heeft in opdracht van verzoekster een onderzoek uitgevoerd en een rapport opgesteld. Mevrouw [naam eiseres] heeft in opdracht van verzoekster een onderzoek uitgevoerd, een rapport opgesteld en verzoekster een factuur gestuurd.
De civielrechtelijke procedure is gestart naar aanleiding van de onbetaalde factuur. Ter beoordeling daarvan heeft de rechter een deskundigenonderzoek bevolen. Dit betreft een procesbeslissing. Een procesbeslissing vormt in beginsel geen grond voor wraking, ook niet als die beslissing de verzoeker onwelgevallig is. Dat kan anders zijn indien geen andere verklaring te geven is dan dat die beslissing door vooringenomenheid is ingegeven en een dergelijke beslissing of de motivering daarvan een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
De rechter heeft een deskundigenonderzoek bevolen ter beantwoording van in de procesbeslissing geformuleerde vragen. Deze vragen zijn ruim geformuleerd, maar kaderen het onderzoek wel in. De deskundige heeft geen opdracht gekregen om, zoals verzoekster wenste, een nieuw funderingsonderzoek uit te voeren. Dat is op zichzelf geen onbegrijpelijke beslissing. De rechter heeft bovendien beslist dat de deskundige partijen in de gelegenheid dient te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Daaruit blijkt niet van enige vooringenomenheid.
3.5
Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot wraking van mr. C.H. Kemp-Randewijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.A. Kalk, voorzitter, mr. M.G.L. de Vette en
mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechters. Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door mr. M.G.L. de Vette uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 december 2019 in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier en door hen ondertekend.
Verzonden op:
aan:
-
-
-
-