De rechtbank Rotterdam behandelde op 1 februari 2019 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige te beëindigen. De minderjarige verblijft sinds januari 2017 in een pleeggezin vanwege een machtiging van de kinderrechter en heeft een ontwikkelingsachterstand en extra zorgbehoefte. De moeder is onvoldoende in staat gebleken om binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding op zich te nemen.
De Raad en de gecertificeerde instelling stelden dat het perspectief van de minderjarige niet bij de moeder ligt, maar bij het pleeggezin en mogelijk de vader, die zich nog moet bewijzen in zijn rol. De moeder wijzigde haar standpunt en accepteerde dat de minderjarige elders opgroeit, mits zij een belangrijke ouderrol behoudt. De pleegmoeder is bereid de minderjarige tot volwassenheid op te voeden.
De rechtbank oordeelde dat het belang van de minderjarige vraagt om zo spoedig mogelijk duidelijkheid over zijn toekomstperspectief en dat het gezag van de moeder daarom wordt beëindigd. De vader oefent voortaan het gezag alleen uit, terwijl de ondertoezichtstelling en pleegplaatsing worden voortgezet. De moeder blijft betrokken bij het kind en kan omgang behouden. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.