Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank beoordeelt dat verzoekster diverse schulden heeft gemaakt die niet te goeder trouw zijn ontstaan, waaronder schulden die duiden op overbesteding en recente schulden die samenhangen met vaste lasten. Daarnaast volgt verzoekster een tweejarige opleiding waardoor zij geen afloscapaciteit heeft, hetgeen niet verenigbaar is met de verplichting om zich gedurende drie jaar maximaal in te spannen voor haar schuldeisers.
De rechtbank stelt dat de enkele omstandigheid dat verzoekster geen startkwalificatie heeft, onvoldoende is om aan te nemen dat zij zonder opleiding geen afloscapaciteit zou kunnen genereren. Ook de recente schulden en het gedrag van verzoekster leiden tot de conclusie dat zij niet voldoet aan de gedragsmaatstaf van goede trouw. Hoewel verzoekster sinds april 2019 budgetbeheer heeft, acht de rechtbank dit onvoldoende om het verzoek toe te wijzen.
De rechtbank wijst het verzoek af en merkt op dat indien verzoekster haar situatie stabiliseert en beschikbaar wordt voor de arbeidsmarkt, een toekomstig verzoek mogelijk meer kans van slagen heeft. Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld.