ECLI:NL:RBROT:2019:994
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen opschorting bijhouding persoonslijst in BRP
Eiser was ingeschreven op een adres te Rotterdam. Naar aanleiding van een verzoek van zijn ex-partner en een onderzoek door verweerder werd vastgesteld dat eiser sinds mei 2017 niet meer op dat adres verbleef. Verweerder heeft daarop de bijhouding van de persoonslijst van eiser in de BRP ambtshalve opgeschort en het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard.
Eiser voerde aan dat hij wel bereikbaar was, het voornemen tot opschorting niet correct was kenbaar gemaakt en dat het onderzoek onvoldoende was. De rechtbank oordeelde dat eiser zelf had verklaard tijdelijk niet op het adres te verblijven en dat het onderzoek met huisbezoeken, raadpleging van Suwinet en contact met de ex-partner gedegen was. De brief met het voornemen tot opschorting was voldoende kenbaar gemaakt.
De rechtbank stelde vast dat verweerder terecht de bijhouding van de persoonslijst had opgeschort op grond van artikel 2.22 van de Wet BRP. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de opschorting van de bijhouding van de persoonslijst in de BRP is ongegrond verklaard.