ECLI:NL:RBROT:2020:10156
Rechtbank Rotterdam
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen oplegging huisverbod wegens vermoedens van huiselijk geweld
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het huisverbod dat de burgemeester van Rotterdam op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) aan hem heeft opgelegd voor de duur van tien dagen. Het huisverbod betreft de woning van de partner van verzoeker, waar hij anders dan incidenteel verblijft.
De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat er voldoende feiten en omstandigheden zijn die een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van de partner en andere bewoners opleveren. Dit is gebaseerd op meldingen van de buurvrouw, verklaringen van de partner en verzoeker zelf, en eerdere politie-registraties van geweldsincidenten. De partner heeft verklaard dat er sprake is van herhaaldelijk gebruik van fysiek geweld door verzoeker, maar wenst geen aangifte te doen uit angst en vanwege de relatie.
Verzoeker voerde aan dat het huisverbod te ingrijpend is, mede vanwege de zwangerschap van de partner, een aanstaande 20-weken echo en een gepland huwelijk in Turkije. De voorzieningenrechter oordeelde dat deze omstandigheden het opleggen van het huisverbod niet in de weg staan. Het huwelijk is niet aannemelijk binnen de termijn van het huisverbod gepland en de echo kan ook zonder verzoeker plaatsvinden. De rechter concludeerde dat de burgemeester bevoegd was en in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid het huisverbod op te leggen.
Ten slotte is vastgesteld dat er geen aanleiding is het huisverbod voortijdig op te heffen. De noodzakelijke hulpverlening is nog niet opgestart, en er zijn geen bijzondere omstandigheden die een vroegtijdige beëindiging rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het huisverbod wordt ongegrond verklaard en het huisverbod blijft van kracht voor tien dagen.