ECLI:NL:RBROT:2020:10258
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang na woningsluiting
Verzoekster verloor haar woning na een bestuursdwangbesluit wegens vondst van harddrugs en wapens in haar woning, waarna de huurovereenkomst werd ontbonden en de woning ontruimd. Zij vroeg om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo, maar dit werd afgewezen omdat zij op papier zelfredzaam werd geacht en opvang kon krijgen binnen haar netwerk.
De voorzieningenrechter oordeelt echter dat het wijkteam een ander beeld schetst: verzoekster, haar echtgenoot en minderjarige dochter hebben geen vaste verblijfplaats en verblijven wisselend bij familie. Er zijn zorgen over de sociaal-emotionele en lichamelijke gezondheid van de dochter. Verweerder heeft het belang van de dochter niet meegewogen, wat in strijd is met het Kinderrechtenverdrag.
Gezien het inkomen op bijstandsniveau, een negatieve huurdersverklaring en het ontbreken van zicht op spoedige huisvesting, acht de rechter het onredelijk om te verwachten dat verzoekster op korte termijn zelfstandig woonruimte vindt. Het formele verwijt aan verzoekster is beperkt en zij is vooral slachtoffer van het gedrag van haar meerderjarige zoons.
De voorzieningenrechter concludeert dat maatschappelijke opvang noodzakelijk is en wijst het verzoek toe, waarbij opvang moet worden geboden tot zes weken na het besluit op bezwaar. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan verzoekster toegewezen.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen; maatschappelijke opvang moet worden geboden tot zes weken na het besluit op bezwaar.