Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
2..Het geschil
3..De beoordeling
4..De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
VGZ Zorgverzekeraar vordert betaling van €500 aan premie en acceptgirokosten van gedaagde, die betwist dat er een zorgverzekeringsovereenkomst tussen partijen bestaat. Gedaagde heeft niet betaald voor de periodes februari tot en met april en juni tot en met oktober 2019, waardoor een achterstand is ontstaan.
VGZ onderbouwt het bestaan van de overeenkomst met diverse documenten, waaronder facturen, herinneringen, poliswijzigingen en eerdere betalingen door gedaagde. Ook heeft gedaagde stukken overgelegd bij de deurwaarder over het opschorten van zijn uitkering en pogingen tot herstel daarvan. De kantonrechter oordeelt dat het langdurig betalen van premie en het ontbreken van bewijs van een andere verzekering voldoende bewijs vormen voor het bestaan van de overeenkomst.
De kantonrechter wijst de vordering van VGZ toe en veroordeelt gedaagde tot betaling van €500 plus wettelijke rente vanaf 13 mei 2020. Een betalingsregeling wordt niet opgenomen omdat partijen hierover geen overeenstemming bereikten. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter acht de dagvaarding terecht gegeven gezien de achterstand en het uitblijven van betalingen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €500 plus wettelijke rente en proceskosten aan VGZ.