ECLI:NL:RBROT:2020:10603

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 oktober 2020
Publicatiedatum
23 november 2020
Zaaknummer
C/10/604794 / FA RK 20-7374
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 WvggzArtikel 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing zorgmachtiging op grond van onvoldoende vaststelling noodzaak ingrijpen

De officier van justitie heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene.

Het onderzoek voor de medische verklaring heeft telefonisch plaatsgevonden, aangezien betrokkene niet thuis de deur opende en niet bereid was zich te laten horen. Betrokkene is niet verschenen bij de zittingen en was telefonisch niet bereikbaar. De medische verklaring werd daardoor als summier beoordeeld.

De rechtbank overweegt dat het stellen van verplichte zorg het ultimum remedium is en dat onvoldoende is komen vast te staan dat ingrijpen noodzakelijk is om ernstig nadeel af te wenden. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot zorgmachtiging af.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Uitkomst: Verzoek tot zorgmachtiging wordt afgewezen wegens onvoldoende vaststelling van noodzaak tot ingrijpen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/604794 / FA RK 20-7374
Betrokkenenummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 28 oktober 2020 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene],
geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
wonende aan de [adres betrokkene] ,
advocaat mr. R.F. Nelisse te Schiedam.

1..Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 25 september 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • de medische verklaring opgesteld door [naam 1] , psychiater, van 21 september 2020;
  • het zorgplan van 6 juli 2020;
  • de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
  • de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
  • de relevante politiegegevens en/of de strafvorderlijke- en justitiële gegevens van betrokkene;
  • het proces-verbaal van de zitting van 14 oktober 2020;
  • het proces-verbaal van de zitting van 19 oktober 2020.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2020. Bij die gelegenheid zijn op grond van artikel 2 Tijdelijke Pro wet COVID-19 Justitie en Veiligheid de navolgende personen telefonisch gehoord, omdat het houden van een fysieke zitting vanwege het coronavirus niet mogelijk was:
  • de hiervoor genoemde advocaat van betrokkene;
  • [naam 2] , verpleegkundige, verbonden aan Antes.
1.3.
Betrokkene is niet ter zitting verschenen. Ook tijdens de twee eerdere behandelingen van het verzoek is betrokkene niet verschenen. De rechtbank heeft geprobeerd om hem op zijn telefoonnummer te bereiken, hetgeen niet gelukt is. De advocaat van betrokkene is twee keer eerder bij hem aan de deur geweest. Betrokkene doet de deur voor niemand open. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen.

2..Beoordeling

2.1.
Het onderzoek voor het opstellen van de medische verklaring heeft telefonisch plaatsgevonden. Met de advocaat van betrokkene is de rechtbank van oordeel dat de medische verklaring daardoor vrij summier is. Betrokkene doet de deur voor niemand open en de toestand waarin betrokkene zich op dit moment bevindt is niet duidelijk. Het uitgangspunt van de wet Wvggz is dat het stellen van verplichte zorg het ultimum remedium is. Dat thans ingrijpen noodzakelijk is om ernstig nadeel af te wenden is onvoldoende komen vast te staan.
2.2.
Gelet op het voorgaande wordt het verzoek afgewezen.

3..Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 28 oktober 2020 mondeling gegeven door mr. S.H. Poiesz, rechter, in tegenwoordigheid van H.J. de Wit, griffier, en op 5 november 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.