Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
- het exploot van dagvaarding van 1 april 2020, met producties;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Rechtbank Rotterdam
Eiseres vordert van gedaagde betaling van €5.241,80 plus rente en incassokosten, stellende dat zij in de periode 2014-2018 geld heeft geleend aan gedaagde. De vordering is gebaseerd op een mondelinge overeenkomst en enkele bankoverboekingen. Gedaagde betwist dat het om leningen gaat en stelt dat sommige bedragen schenkingen waren.
De kantonrechter constateert dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake was van geldleningen. Het enige schriftelijke bewijs is een ongedateerd, niet ondertekend briefje dat niet de omstandigheden of afspraken vermeldt. Bankafschriften tonen betalingen, maar niet dat deze leningen betroffen. Gedaagde erkent enkele kleine leningen die snel zijn terugbetaald, maar dit sluit niet uit dat andere betalingen schenkingen waren.
Omdat eiseres haar stelplicht niet heeft vervuld en de vordering gemotiveerd is betwist, komt bewijslevering niet aan de orde. De rechtbank oordeelt dat niet vaststaat dat de betalingen leningen waren en wijst de vordering en nevenvorderingen af. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van €5.241,80 wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat sprake was van geldleningen.