ECLI:NL:RBROT:2020:10821

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 november 2020
Publicatiedatum
27 november 2020
Zaaknummer
Rot 20/5809, ROT 20/5808
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 1:2 AwbArt. 5:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken rechtstreeks belang bij last onder dwangsom

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een last onder dwangsom die door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam is opgelegd aan een besloten vennootschap (B.V.) voor het verwijderen van bouwwerken op een perceel te Rotterdam.

De voorzieningenrechter heeft ambtshalve beoordeeld of het beroep van eiseres kan worden toegerekend aan de B.V. Dit is relevant omdat de last onder dwangsom aan de B.V. is opgelegd en het belang bij het besluit rechtstreeks moet zijn. Uit jurisprudentie volgt dat alleen bij volledige vereenzelviging van belangen tussen directeur/enig aandeelhouder en de B.V. het beroep kan worden toegerekend.

Uit het handelsregister bleek dat eiseres wel bestuurder is, maar geen aandeelhouder van de B.V. Hierdoor kan zij niet worden vereenzelvigd met de B.V. en heeft zij geen rechtstreeks belang bij het bestreden besluit. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en wijst het verzoek af. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open voor zover het de voorlopige voorziening betreft, maar tegen het beroep kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van rechtstreeks belang en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 20/5809 en 20/5808 (hoofdzaak)

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

20 november 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak in de zaken tussen

[naam B.V.] ,gevestigd te [vestigingsplaats] , verzoekster, tevens eiseres, hierna: eiseres,
gemachtigde: mr. J. Geelhoed,
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder

gemachtigden: mrs. A.M.H. Dellaert en V.E. van Dijk.
Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van
[naam bedrijfsleider] , bedrijfsleider. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, vergezeld van [naam bouwinspecteur] , bouwinspecteur.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 20 november 2020 heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek af.

Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: “Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken”.
Artikel 5:1, tweede lid van de Awb luidt: “onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.”
Bij besluit van 28 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd, gericht op het verwijderen en verwijderd houden van een aantal bouwwerken op het perceel [adres] te Rotterdam. Verweerder heeft eiseres in de gelegenheid gesteld binnen 8 weken aan de last te voldoen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 6000,- ineens.
Bij besluit van 21 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard.
De voorzieningenrechter constateert dat verweerder in het bestreden besluit, anders dan in het primaire besluit, [naam B.V.] aanmerkt als overtreder. Het beroep is ingesteld door eiseres.
Tussen partijen is, los van de vraag of er sprake is van een overtreding, niet in geschil dat de last onder dwangsom opgelegd dient te worden aan de werkmaatschappij, zijnde [naam B.V.] .
De voorzieningenrechter dient ambtshalve te beoordelen of het beroep dat door eiseres is ingesteld moet worden toegerekend aan [naam B.V.]
Hiervoor is van belang dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie de uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:671) er slechts ruimte is voor het toerekenen van het beroepschrift van de directeur/enig aandeelhouder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid indien de vennootschap en haar directeur/enig aandeelhouder met elkaar vereenzelvigd kunnen worden. Hiervan is alleen sprake wanneer vaststaat dat de belangen van de één identiek zijn aan de belangen van de ander en daarover voor andere betrokkenen in het rechtsverkeer geen enkele onduidelijkheid of onzekerheid kan hebben bestaan.
Ter zitting is uit een actueel uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel gebleken dat eiseres wel bestuurder maar geen aandeelhouder is van [naam B.V.] Reeds hierom kan eiseres niet vereenzelvigd worden met (de belangen van) [naam B.V.] , zodat eiseres geen rechtstreeks belang heeft bij het bestreden besluit.
Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Gelet hierop is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen zodat dat het verzoek wordt afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Deze uitspraak is op 20 november 2020 in het openbaar gedaan door mr. A.S. Flikweert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. S.R. Jonkergouw, griffier.
griffier voorzieningenrechter
De griffier is buiten staat De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op de voorlopige voorziening, staat geen rechtsmiddel open. Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.