De zaak betreft een vordering van OSC B.V. tegen haar oud-werknemer voor vergoeding van kosten verbonden aan het voortijdig beëindigen van een gebruiksovereenkomst voor een bedrijfsauto. De werknemer had de arbeidsovereenkomst opgezegd in het derde gebruiksjaar van de auto, waarna OSC aanspraak maakte op een vergoeding van €4.000 op grond van de Mobiliteitsregeling.
De werknemer voerde verweer dat deze vergoeding in strijd zou zijn met zijn recht en vrijheid op arbeid en dat de kosten niet daadwerkelijk gemaakt waren, omdat de auto bij OSC in gebruik bleef. De kantonrechter oordeelde dat het overeengekomen beding geen belemmering vormt voor de arbeidsmobiliteit, omdat de werknemer vrij was om te kiezen of hij de auto van OSC wilde gebruiken.
Verder werd geoordeeld dat de vaste vergoeding van €4.000 redelijk is, gelet op de omstandigheden waaronder de auto was uitgekozen door de werknemer en de hoge fiscale bijtelling. De werknemer had niet aangetoond dat alleen daadwerkelijke kosten betaald moesten worden. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente toegewezen. De werknemer werd veroordeeld tot betaling van in totaal €4.558,69 plus rente en proceskosten.