In deze zaak gaat het om een verzetprocedure tegen een verstekvonnis van 30 augustus 2013. De verzetdagvaarding werd ingesteld door een persoon die sinds 28 mei 2015 onder beschermingsbewind staat. Volgens het curatele- en bewindsregister is het beheer en de beschikking over de goederen van deze persoon overgedragen aan een bewindvoerder, die ook de formele procespartij is in procedures die betrekking hebben op de onder bewind staande goederen.
De rechtbank oordeelt dat de onder bewind gestelde persoon ten tijde van het verzet niet procesbevoegd was en dat alleen de bewindvoerder verzet had kunnen instellen. Aangezien de bewindvoerder dit niet heeft gedaan, is het verzet niet-ontvankelijk. Daarnaast is het verzet niet tijdig ingesteld binnen de wettelijke termijn van vier weken na het verstekvonnis en de aanvang van de tenuitvoerlegging.
De rechtbank wijst erop dat de beschermingsgedachte achter het bewind meebrengt dat de rechthebbende niet zelfstandig kan procederen. De verzetprocedure wordt daarom afgewezen en de kosten van de procedure worden aan de verzetvoerder opgelegd, zij het dat de kosten aan de zijde van de eiser nihil worden vastgesteld.