De zaak betreft een huurgeschil tussen een verhuurder en een huurder van een tijdelijke woonruimte in een appartementencomplex dat gesloopt zal worden. De huurder heeft een huurachterstand opgebouwd van ruim 6.900 euro en veroorzaakt overlast voor omwonenden, wat heeft geleid tot meerdere aangiften.
De verhuurder vordert ontruiming van de woonruimte binnen een week na betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom. De huurder betwist de vordering en stelt dat de huurachterstand samenhangt met gebreken aan het gehuurde en startte een procedure bij de huurcommissie. Tevens stelt hij een tegenvordering in reconventie.
De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand disproportioneel is en dat de overlast een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst vormt. De vordering tot ontruiming wordt daarom toegewezen met een termijn van een week en een dwangsom. De tegenvordering wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege schending van het hoor en wederhoor-beginsel en het ontbreken van spoedeisend belang.
De huurder wordt veroordeeld in de proceskosten, terwijl de verhuurder in reconventie geen kosten hoeft te dragen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door kantonrechter R. Kruisdijk.