De werknemer, sinds 2016 in dienst als kapper, werd op 11 augustus 2020 op staande voet ontslagen wegens vermeende mishandeling en bedreiging van een collega. De werkgever baseerde het ontslag op camerabeelden, een aangifte en verklaringen van betrokkenen. De werknemer ontkende de beschuldigingen en betwistte het concurrentiebeding.
De kantonrechter beoordeelde de bewijslast en concludeerde dat de dringende reden voor ontslag op staande voet niet was komen vast te staan. De camerabeelden toonden geen duidelijk bewijs van mishandeling, en de bedreiging was slechts op basis van een verklaring uit tweede hand. Hierdoor werd het ontslag als onregelmatig beschouwd.
De werkgever werd veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een transitievergoeding en een billijke vergoeding van €2.000,-. Tevens werd het concurrentiebeding vernietigd omdat de werkgever geen rechten meer daaraan kon ontlenen na het onterecht gegeven ontslag. De werkgever werd ook veroordeeld in de proceskosten.