Partijen zijn in 2015 gescheiden en sloten een echtscheidingsconvenant waarin de woning aan de man werd toegedeeld, met een bepaling dat winst bij verkoop gelijk verdeeld zou worden. In 2017 is een akte van verdeling gepasseerd waarin finale kwijting is verleend en geen verrekening wegens overbedeling zou plaatsvinden. De man verkocht in 2020 de woning en de vrouw vorderde haar helft van de winst, waarop zij beslag legde.
De man stelde dat de akte van verdeling het convenant wijzigde en dat hij geen winst hoefde te delen. De rechtbank past het Haviltex-criterium toe en oordeelt dat de akte de winstverdeling niet heeft opgeheven. De winst moet worden berekend als verkoopprijs minus hypotheek en verkoopkosten, met mogelijke aftrek van investeringen van de man.
De vordering van de vrouw wordt niet summierlijk ondeugdelijk geacht. De man biedt een depot van € 38.000,- aan als zekerheid, wat de rechtbank voldoende acht om het beslag op te heffen onder voorwaarde van medewerking van de vrouw aan de depotovereenkomst en volmacht. De primaire vordering tot onvoorwaardelijke opheffing wordt afgewezen, de subsidiaire toegewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.