Uitspraak
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
[eiseres] ,
[gedaagde] ,
Verloop van de procedure
Omschrijving van het geschil
Overeenkomst van geldlening
Rechtbank Rotterdam
Eiseres en gedaagde hadden een affectieve relatie en sloten in 2009 een schriftelijke geldleningsovereenkomst voor twee leningen van €8.000,- en €6.000,-. Gedaagde ontkende aanvankelijk ontvangst van het bedrag van €8.000,-, maar dit werd verworpen omdat hij de overeenkomst had ondertekend en de bedragen daadwerkelijk had ontvangen.
De rechtbank oordeelde dat de vordering niet verjaard was, omdat binnen de affectieve relatie geen opeising binnen afzienbare tijd werd verwacht en de opeising pas in januari 2020 plaatsvond. De verjaringstermijn begint daardoor pas vanaf dat moment te lopen. Gedaagde voerde ook verrekening aan met een tegenvordering uit een andere procedure, maar dit werd afgewezen omdat de tegenvordering niet eenvoudig vast te stellen was.
Er was geen schriftelijke renteovereenkomst, waardoor de gevorderde rente werd afgewezen, maar wettelijke rente vanaf 4 februari 2020 werd toegewezen. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van €13.905,- plus wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten van €905,-. De terugbetalingstermijn werd vastgesteld op 20 mei 2021, waarna het vonnis ten uitvoer kan worden gelegd. Proceskosten werden grotendeels aan gedaagde opgelegd, met compensatie in reconventie.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €13.905,- plus wettelijke rente met terugbetalingstermijn tot 20 mei 2021.