ECLI:NL:RBROT:2020:11397

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 december 2020
Publicatiedatum
9 december 2020
Zaaknummer
8328182
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:103 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens onvoldoende onderbouwing bij aanrijding toegangshek

Op 28 november 2018 reed gedaagde met zijn vrachtwagen tegen het toegangshek van eiseres, waarbij schade ontstond. Eiseres vorderde een schadevergoeding van €7.376,64 gebaseerd op een offerte voor vervanging van het hekwerk. Gedaagde erkende aansprakelijkheid en betaalde €375,00, het bedrag dat volgens een rapport overeenkwam met het richten en afstellen van het schuifportaal.

De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende had onderbouwd dat de schade het gevorderde bedrag rechtvaardigde. De offerte betrof de plaatsing van een geheel nieuw hek, niet de herstelkosten van de daadwerkelijke schade. Daarnaast was het hek al oud en vertoonde het bestaande schade. De subsidiaire vordering om gedaagde te veroordelen een derde opdracht te geven het hek te herstellen werd eveneens afgewezen vanwege onduidelijkheid over de oorspronkelijke staat van het hek.

Daarom wees de rechtbank de vorderingen af en bepaalde dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. Omdat geen betaling tussen partijen meer verschuldigd was, werd het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing; partijen dragen elk hun eigen proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8328182 CV EXPL 20-5390
uitspraak: 11 december 2020
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam
in de zaak van
[eiseres]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.M. Uijttewaal te Ochten (gemeente Neder-Betuwe),
tegen
[gedaagde],
handelend onder de naam
[naam bedrijf gedaagde],
wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
gedaagde,
gemachtigde: mr. D. Bemelmans te Den Haag.
Partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1..De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
  • de dagvaarding, met producties van 4 februari 2020;
  • de conclusie van antwoord, met producties van 21 april 2020;
  • de conclusie van repliek, met een wijziging van eis en producties, van 16 juni 2020;
  • de conclusie van dupliek, met één productie van 11 augustus 2020;
  • de akte uitlaten producties van [eiseres] van 6 oktober 2020.
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2..De feiten

Er wordt uitgegaan van de volgende feiten:
2.1
[gedaagde] is op 28 november 2018 met zijn vrachtwagen tegen het toegangshek van [eiseres] aangereden.
2.2
[naam bedrijf] schrijft in een aan [eiseres] op 14 december 2018 uitgebrachte offerte, voor zover nu van belang:
Hierbij ontvangt u de offerte voor het vervaardigen en plaatsen van een spijlenhekwerk, geheel in kleur, geplaatst op uw locatie aan de [adres] te Rotterdam.
Bovengenoemd hekwerk (…) kunnen wij voor u plaatsen en fabriceren voor een prijs van
€ 6.096,40 excl. btw.
2.3
EMN schrijft in een ‘kort rapport aansprakelijkheid’ van 12 april 2019 aan Risk Verzekeringen, voor zover nu van belang:
Toedracht/oorzaak
Door een aanrijding met het voertuig van verzekerde is schade ontstaan aan het hekwerk van wederpartij.
Schadeomvang
Verzekerde deelde ons mee dat zijn voertuig alleen tegen het schuifportaal aan is gekomen, waardoor dit portaal scheef is komen te staan. Wij ontvingen een door beide partijen ondertekende verklaring (zie
bijlage) waarin staat genoemd, dat schade ontstond aan het voornoemde schuifportaal. Naar onze mening bestaat de schade alleen uit het opnieuw richten en afstellen van het schuifportaal.
Schadevaststelling
Wederpartij heeft een offerte laten opstellen door [naam bedrijf] inzake de vervanging van een groot deel van het hekwerk. De offerte sluit op € 6.096,40 exclusief btw. Het betreft echter een “oud” hekwerk (minimaal 15 jaar oud). Daarnaast is er sprake van veel reeds bestaande schade. Foto’s hiervan zijn reeds in uw bezit. Wederpartij gaf aan een geschil te hebben met verzekerde en geen interesse te hebben in het standpunt van de verzekeraar van verzekerde. Het hekwerk zou door wederpartij zelf niet zijn verzekerd.
Bij het vaststellen van de schade zijn wij uitgegaan van het opnieuw richten en afstellen van het schuifportaal. Op basis van een eigen calculatie hebben wij de herstelkosten vastgesteld op
€ 375,00 exclusief btw.
2.4
[gedaagde] heeft het schadebedrag dat hij erkent (€ 375,00) tijdens deze procedure aan [eiseres] betaald.

3..Het geschil

3.1
[eiseres] vordert, na een wijziging van haar eis, met rente, € 4.023,84 aan incassokosten en veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure:
primair[gedaagde] te veroordelen een schadevergoeding van € 7.376,64 (het bedrag uit de onder 2.2 genoemde offerte vermeerderd met de omzetbelasting) aan haar te betalen;
subsidiair[gedaagde] ertoe te veroordelen voor zijn rekening een derde de opdracht te geven haar hek terug te brengen in de staat waarin het zich bevond voordat [gedaagde] daar met zijn vrachtwagen tegenaan reed.
3.2
[gedaagde] voert verweer tegen de vordering.
3.3
Voor zover voor de beoordeling van belang, wordt hierna ingegaan op de stellingen waarmee [eiseres] en [gedaagde] de vordering en het verweer daartegen (verder) onderbouwen.

4..De beoordeling

4.1
Als [gedaagde] met zijn vrachtwagen tegen het toegangshek van [eiseres] rijdt, moet hij de schade die [eiseres] daardoor lijdt vergoeden (artikel 6:162 BW Pro). Dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] lijdt, en dat [eiseres] schade lijdt erkent [gedaagde] door in ieder geval
€ 375,00 aan [eiseres] betaald te hebben, staat niet ter discussie. De vraag is alleen hoe hoog de schade dan is.
4.2
[eiseres] stelt dat haar schade € 7.376,64 (inclusief omzetbelasting) bedraagt. Dat dit zo is blijkt echter niet. [eiseres] verwijst ter onderbouwing van haar schade alleen naar de door [naam bedrijf] uitgebrachte offerte (zie 2.2). In die offerte staat weliswaar het bedrag dat [eiseres] aan schade noemt, maar [naam bedrijf] biedt niet aan de schade te herstellen. [naam bedrijf] biedt aan voor het genoemde bedrag een heel nieuw hek te plaatsen. [eiseres] onderbouwt niet welke schade is ontstaan door de aanrijding en hoeveel het kost om díe schade te herstellen. [eiseres] richt haar pijlen in haar stukken met name op hoe [gedaagde] onderbouwt dat de schade € 375,00 bedraagt. Het is echter niet aan [gedaagde] om te stellen en te bewijzen hoe hoog de schade is. Het is aan [eiseres] om dit te doen, temeer nu [gedaagde] gemotiveerd, met foto’s onderbouwd, aanvoert dat het toegangshek ook voor de aanrijding al niet in al te beste staat verkeerde. [eiseres] brengt hier onvoldoende tegenin. Dat [eiseres] € 7.376,64 aan schade lijdt onderbouwt zij niet (voldoende). Verder zijn er geen aanknopingspunten om een ander bedrag dan gevorderd toe te wijzen. De primaire vordering van [eiseres] moet daarom afgewezen worden.
4.3
De subsidiaire vordering van [eiseres] [gedaagde] ertoe te veroordelen voor zijn rekening een derde de opdracht te geven haar hek terug te brengen in de staat waarin het zich bevond voordat [gedaagde] daar met zijn vrachtwagen tegenaan reed, is ook niet toewijsbaar. De vraag die hierbij van belang is is namelijk: in welke staat bevond het hek zich dan voordat [gedaagde] daar met zijn vrachtwagen tegenaan reed? [eiseres] beantwoordt die vraag in deze procedure echter niet. Een veroordeling van [gedaagde] zoals [eiseres] dit subsidiair voor ogen staat, zal daarom meer problemen opleveren dan dat het oplost. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding af te wijken van de hoofdregel dat een schadevergoeding in geld wordt betaald.
4.4
De primaire en de subsidiaire vordering van [eiseres] zijn dus niet toewijsbaar. Aan de beoordeling van de gevorderde rente en de incassokosten komt de kantonrechter daarom niet toe.
4.5
Het staat niet ter discussie dat [eiseres] schade heeft geleden aan haar hek doordat [gedaagde] daar met zijn vrachtwegen tegenaan gereden is. [gedaagde] erkent immers aansprakelijk te zijn voor een schade van € 375,00. Dit kan al afgeleid worden uit de brief van 12 april 2019 (zie 2.3). Op het moment dat [eiseres] [gedaagde] dagvaardde was dit bedrag echter nog niet betaald. Dat is pas tijdens deze procedure gebeurd. Er kan dus niet gezegd worden dat [eiseres] [gedaagde] geheel onterecht in deze procedure betrokken heeft en evenmin kan gezegd worden dat [eiseres] geheel de in het ongelijk gestelde partij is. In het feit dat [gedaagde] tijdens deze procedure een bedrag aan schade aan [eiseres] betaald heeft, in combinatie met het feit dat het bedrag dat [eiseres] in deze zaak vordert níet toewijsbaar is, ziet de kantonrechter aanleiding te bepalen dat ieder van de partijen de eigen kosten van deze procedure draagt.
4.6
Omdat geen van de partijen iets aan de ander hoeft te betalen, heeft het geen zin om dit vonnis ‘uitvoerbaar bij voorraad’ te verklaren. Die vordering wordt daarom afgewezen.

5..De beslissing

De kantonrechter:
wijst de vordering van [eiseres] af;
bepaalt dat ieder van de partijen de eigen kosten van deze procedure draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
686