Op 8 mei 2020 ontstond een conflict tussen verdachte en het slachtoffer in hun woning te Dordrecht, waarbij verdachte het slachtoffer met een mes sloeg en snijwonden toebracht. De rechtbank oordeelde dat het primair ten laste gelegde feit van poging tot doodslag niet wettig en overtuigend bewezen kon worden, omdat verdachte het mes in zijn handpalm hield met het lemmet afgewend en sloeg met het handvat, waardoor geen opzet op de dood kon worden afgeleid.
Wel werd vastgesteld dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, doordat hij meerdere malen met het mes zwaaide zonder zicht op het slachtoffer, wat een aanmerkelijke kans op ernstig letsel inhield. Het letsel bestond uit een blijvend ontsierend litteken in het gezicht, wat door de rechtbank als zwaar lichamelijk letsel werd aangemerkt.
Verdachte voerde een beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer(exces), maar de rechtbank verwierp deze omdat verdachte zich eerst onttrok aan de situatie en daarna zelf de confrontatie opzocht, waardoor geen sprake meer was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van twaalf maanden op, rekening houdend met de ernst van het feit, het blijvende letsel en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het ontbreken van een strafblad voor soortgelijke feiten. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht.