Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
10-001500-19
1..Onderzoek op de terechtzitting
2..Tenlastelegging
3..Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten (te weten: (poging tot) diefstal met bedreiging met geweld (in vereniging));
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal melden bij de reclassering, zich zal laten opnemen in een zorginstelling, zich ambulant zal laten behandelen door een zorginstelling, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en zal meewerken aan middelencontrole. Daarnaast vordert de officier van justitie dat aan de reclassering de opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte daarbij te begeleiden.
4..Waardering van het bewijs
ik vermoord je”. Op grond van de wettige bewijsmiddelen zoals deze in bijlage II zijn opgenomen, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank acht de bedreiging ook wettig en overtuigend bewezen op grond van deze bewijsmiddelen.
5..Strafbaarheid feiten
1. poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;
2. diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en
3. diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
6..Strafbaarheid verdachte
7..Motivering straf
in verminderde matetoe te rekenen.
8..Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
9..Toepasselijke wettelijke voorschriften
10..Bijlagen
11..Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;
€ 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen
€ 750,00(hoofdsom,
zegge: zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 december 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 750,00 niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
15 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
W.H.J. Stemker Koster, voorzitter,
A.M. van der Leeden en R.J. Verbeek, rechters,
C.J. Voogel-van Buuren,griffier,