De zaak betreft twee minderjarige kinderen die sinds oktober 2019 onder toezicht zijn gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West. De ouders hebben gezamenlijk gezag, maar de kinderen wonen bij de vader. Eerder was bepaald dat de kinderen eens per vier weken bezoek hadden met de moeder, maar deze bezoeken gingen vaak niet door vanwege de mentale gesteldheid van de moeder.
De gecertificeerde instelling verzocht de kinderrechter om de bezoekregeling te wijzigen naar eens per zes weken, waarbij het bezoek wordt opgesplitst in twee afzonderlijke uren voor elk kind apart, om zo de moeder beter te kunnen ondersteunen en de bezoeken haalbaarder te maken. De moeder was het hier niet mee eens en wilde vaker contact.
Tijdens de zitting gaf de gecertificeerde instelling aan dat de bezoeken vaak niet doorgaan en dat de moeder soms somber is. De vader benadrukte het belang van vaste afspraken zodat de kinderen weten wanneer zij hun moeder kunnen zien. De kinderen zelf gaven aan dat zij het jammer vinden dat de bezoeken niet doorgaan en wensten een bezoekregeling die beter aansluit bij hun behoeften.
De kinderrechter oordeelde dat de situatie complex is door de problemen van de moeder, maar achtte het voorstel van de gecertificeerde instelling passend. De bezoekregeling wordt gewijzigd naar eens per zes weken, opgesplitst in twee uur, met begeleiding op het kantoor van de gecertificeerde instelling. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het Gerechtshof Den Haag.