In deze civiele procedure vordert eiser betaling van diverse facturen door gedaagde. Gedaagde betwist betaling van facturen tot 1 april 2017 omdat hij toen nog geen eigenaar was van de onderneming, en stelt de facturen daarna contant te hebben voldaan.
Eiser heeft toegelicht dat gedaagde al vóór de formele overname de onderneming feitelijk exploiteerde en mondelinge afspraken maakte, waardoor gedaagde gehouden is tot betaling van de facturen. De rechtbank acht dit voldoende onderbouwd en onbestreden.
Voor de facturen na 1 april 2017 heeft gedaagde onvoldoende bewijs geleverd van contante betaling, ondanks de mogelijkheid daartoe. Hierdoor wordt ook deze vordering toegewezen.
De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van de hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente, en in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.