De rechtbank Rotterdam heeft op 15 december 2020 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind. De vader verzocht om vaststelling van een omgangsregeling, terwijl de moeder zich hiertegen verzette. De rechtbank baseerde haar oordeel op artikel 1:377a BW, waarin het recht op omgang slechts kan worden ontzegd indien dit ernstige nadelen voor het kind oplevert of in strijd is met zwaarwegende belangen.
Uit het rapport van de raad voor de kinderbescherming bleek dat het strafrechtelijke verleden van de vader en zijn houding tegenover de moeder het vertrouwen van de moeder in de vader ernstig hebben ondermijnd. De raad uitte zorgen over het morele inzicht van de vader en twijfelde of hij de belangen van het kind altijd boven zijn eigen belangen zou stellen. Daarnaast is het ontbreken van contact tussen de ouders een grote belemmering voor het contact tussen vader en kind, waarbij de moeder onvoldoende in staat wordt geacht het contact positief te begeleiden.
Het hof Den Haag had eerder het omgangsrecht van de vader voor twaalf maanden ontzegd. De rechtbank onderschreef dit oordeel en ontzegde de vader het recht op omgang met het kind tot 1 april 2021. De rechtbank benadrukte dat deze ontzegging tijdelijk is en dat de vader na twaalf maanden opnieuw een verzoek kan indienen bij gewijzigde omstandigheden.
Verder werd tijdens de mondelinge behandeling besproken dat de moeder de minderjarige in de nabije toekomst moet voorlichten over het bestaan van de vader, waarbij de raad de moeder ondersteunt met hulpverlening. De vader mag na statusvoorlichting jaarlijks speelgoed of kleding naar het kind sturen, afhankelijk van afspraken met de moeder.
De proceskosten worden door elke partij zelf gedragen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het hof Den Haag, dat door een advocaat moet worden ingesteld binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking.