ECLI:NL:RBROT:2020:11719
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing omgangsregeling minderjarige
De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing waarin een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige was vastgelegd door de gecertificeerde instelling (GI). De minderjarige woont bij de moeder en staat onder een ondertoezichtstelling die verlengd is tot februari 2021. De GI had op grond van artikel 1:265f BW een schriftelijke aanwijzing gegeven voor een omgangsregeling met zowel begeleide als onbegeleide momenten.
De moeder verzocht om nietigverklaring of vervallenverklaring van deze aanwijzing omdat zij zich niet veilig voelt bij onbegeleide omgang en bezwaren heeft tegen de planning van begeleide momenten. De GI verdedigde de aanwijzing als noodzakelijk voor het opbouwen van de band tussen vader en kind. De vader erkende dat de aanwijzing niet op grond van artikel 1:265f BW kon worden gegeven, maar stelde dat artikel 1:263 BW Pro de grondslag kon vormen.
De rechtbank oordeelde dat een schriftelijke aanwijzing op grond van artikel 1:265f BW alleen kan worden gegeven indien de minderjarige uit huis is geplaatst, wat hier niet het geval is. Ook wees de rechtbank het opleggen van een omgangsregeling via artikel 1:263 BW Pro af, omdat dit de rechtsbescherming van artikel 1:265g BW zou ondermijnen. Daarom verklaarde de rechtbank de schriftelijke aanwijzing vervallen en wees het verzoek van de moeder toe.
Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing van de omgangsregeling wordt geheel vervallen verklaard.