Op 27 augustus 2020 trof de politie in een woning te Rotterdam bijna zes kilo cocaïne en diverse versnijdingsmiddelen aan. Verdachte en een medeverdachte werden in de woning aangetroffen, waarvan de keuken was ingericht als ruimte voor het bewerken van harddrugs.
De verdediging stelde dat verdachte geen wetenschap had van de drugs en geen macht over de stoffen had, omdat hij slechts kort in de woning was en niet in de keuken was geweest. De rechtbank oordeelde echter dat de aanwezigheid van de telefoon van verdachte in de keuken en de zichtbare situatie ter plaatse aannemelijk maken dat verdachte wetenschap had en macht kon uitoefenen over de verdovende middelen.
De rechtbank achtte bewezen dat verdachte samen met een ander opzettelijk de cocaïne aanwezig had en tevens voorwerpen en stoffen voorhanden had die bestemd waren voor het bewerken en de handel in deze drugs. Verdachte werd vrijgesproken van het telen, bereiden en vervoeren wegens onvoldoende bewijs.
Gezien de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder eerdere buitenlandse veroordelingen, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 23 maanden op. De in beslag genomen telefoon en schoenen werden aan verdachte teruggegeven.