ECLI:NL:RBROT:2020:11816
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening schadevergoeding wegens onrechtmatig ziekhouden
Verzoeker stelt dat hij onrechtmatig ziek is gehouden door het UWV sinds 22 maart 1999 en vordert een schadevergoeding van €500.025,84. Hij vraagt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om alvast een voorschot op deze schadevergoeding toe te kennen.
De voorzieningenrechter constateert dat nog moet worden beoordeeld of verzoeker ontvankelijk is en of de rechtbank bevoegd is om over de schadevergoeding te oordelen. Verzoeker heeft het bestuursorgaan niet de vereiste termijn van acht weken gegeven om op het verzoek om schadevergoeding te beslissen, waardoor het verzoek nog niet ontvankelijk is.
Daarnaast weegt de voorzieningenrechter het belang van verzoeker tegen dat van het UWV af. Gezien het hoge bedrag en het risico dat dit voorschot niet kan worden teruggevorderd als het verzoek in de hoofdzaak wordt afgewezen, acht de voorzieningenrechter toewijzing te verstrekkend. Ook is onduidelijk op welke grondslag de schadevordering rust en is er twijfel over verjaring.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder zitting. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid en risico's verbonden aan het voorschotbedrag.