De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over haar minderjarige dochter, dat zij samen met haar tante uitoefende, te wijzigen in eenhoofdig gezag voor haar alleen. Het gezamenlijk gezag was in 2013 ingesteld omdat de tante een belangrijke rol als mede-opvoeder vervulde en de moeder toen jong was.
De moeder heeft inmiddels een stabiel gezinsleven opgebouwd en wil zonder bemoeienis van de tante haar rol als moeder vervullen. De verstandhouding tussen moeder en tante is ernstig verslechterd, waardoor het contact tussen tante en minderjarige sinds februari 2020 vrijwel is verbroken. De rechtbank stelt vast dat het voortzetten van het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico inhoudt dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen moeder en tante.
De raad voor de kinderbescherming benadrukte het belang van rust voor de minderjarige en stelde mediation voor, maar partijen waren hiertoe niet bereid. De rechtbank concludeert dat wijziging van het gezag in het belang van het kind noodzakelijk is en wijst het verzoek van de moeder toe. De beschikking van 2013 wordt gewijzigd, het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het gezag komt voortaan toe aan de moeder. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.