ECLI:NL:RBROT:2020:12160
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Vernietiging huisverbod wegens strijd met motiveringsbeginsel en ontbreken gevaar
Op 1 september 2020 legde de burgemeester van Rotterdam een huisverbod op aan verzoeker op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth). Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat het besluit niet tijdig en deugdelijk was gemotiveerd, zoals vereist volgens artikel 3:46 en Pro 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De motivering werd pas na het instellen van rechtsmiddelen bekendgemaakt, wat in strijd is met het motiveringsbeginsel.
Daarnaast werd beoordeeld of het huisverbod terecht was opgelegd vanwege een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen in de woning. De rechtbank stelde vast dat er geen concreet bewijs was van gevaar; er waren geen incidenten, geen letsel, en de verklaring van achterblijfster werd weersproken door verzoeker. Ook ontbrak nader onderzoek door de burgemeester naar de beweerde bedreiging en de context van de huwelijkse spanningen.
De rechtbank concludeerde dat het huisverbod niet gerechtvaardigd was en vernietigde het besluit volledig. De rechtsgevolgen van het besluit werden niet in stand gelaten. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.050,-. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het opgelegde huisverbod is vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel en onvoldoende bewijs van gevaar.