De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van een minderjarig kind, geboren in 2020, vanwege zorgen rond de ontwikkeling en thuissituatie. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en het kind woont bij haar. De vader is biologische vader maar heeft geen gezag en woont niet samen met de moeder.
De kinderrechter behandelde de zaak op 9 december 2020 met gesloten deuren. De moeder was aanwezig met een tolk vanwege taalbarrière. De vader was opgeroepen maar niet verschenen en werd aangemerkt als informant, niet als belanghebbende.
Er is sprake van een bedreiging van de ontwikkeling van het kind door de persoonlijke en verslavingsproblematiek van de moeder, een ongecontroleerde zwangerschap en de recente ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de broer van het kind. Hoewel de ouders vooruitgang hebben geboekt en meewerken met hulpverlening, zijn er nog risicofactoren en kans op terugval.
De kinderrechter oordeelt dat het wettelijke criterium voor ondertoezichtstelling is vervuld en stelt het kind onder toezicht van de gecertificeerde instelling voor de duur van twaalf maanden, met onmiddellijke uitvoerbaarheid. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na betekening.