ECLI:NL:RBROT:2020:12450

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 december 2020
Publicatiedatum
6 januari 2021
Zaaknummer
C/10/608556 / FA RK 20-9203
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning zorgmachtiging op grond van Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg wegens ernstige gedragsproblemen

De rechtbank Rotterdam behandelde op 11 december 2020 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die lijdt aan ernstige gedragsproblemen zoals ADHD en ODD. Betrokkene vertoont sinds jonge leeftijd een verstoorde ontwikkeling met risicozoekend gedrag en beperkte regievoering, wat leidt tot aanhoudende problemen in wonen, werken en gezinsrelaties.

Tijdens de mondelinge behandeling werd vastgesteld dat betrokkene door zijn stoornis zodanig wordt beheerst dat sprake is van een stoornis in de zin van de Wvggz. Het gedrag van betrokkene veroorzaakt ernstig nadeel, waaronder risico op ernstig lichamelijk letsel en maatschappelijke teloorgang. Vrijwillige zorg is onvoldoende gebleken, en betrokkene weigert medewerking aan behandeling en medicatie.

De rechtbank acht verplichte zorg noodzakelijk en proportioneel, waarbij specifieke vormen van zorg worden opgelegd, zoals medicatie en medische controles, en beperkingen in de vrijheid om het ernstig nadeel af te wenden. Minder bezwarende alternatieven zijn niet beschikbaar. De zorgmachtiging wordt verleend voor een periode van zes maanden, ingaande op de datum van beschikking.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor zes maanden wegens ernstige gedragsproblemen en het ontbreken van vrijwillige zorgmogelijkheden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/608556 / FA RK 20-9203
Betrokkenenummer: [nummer]
Beschikking van 15 december 2020 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene],
geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
wonende en verblijvende aan [adres betrokkene] ,
advocaat mr. L.A. Middelkoop te Rotterdam.

1..Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 24 november 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- de medische verklaring opgesteld door [naam 1] , psychiater, van
13 november 2020;
  • de zorgkaart van 29 september 2020;
  • het zorgplan van 24 september 2020;
  • de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
  • de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
  • de relevante politiegegevens en de strafvorderlijke- en justitiële gegevens van betrokkene.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op
11 december 2020 in het gebouw van de rechtbank te Rotterdam.
Bij die gelegenheid zijn verschenen:
  • betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
  • [naam 2] , GZ-psycholoog;
  • de moeder van betrokkene.
1.3.
De officier is niet verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2..Beoordeling

2.1.
Uit de overgelegde stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten ernstige gedragsproblemen: ADHD, ODD en waarschijnlijk cognitieve en sociaal-emotionele beperkingen in de ontwikkeling, alsmede een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling.
Namens betrokkene betwist de advocaat niet de juistheid van deze diagnose, maar zij voert wel aan dat betrokkene niet door de stoornis wordt beheerst, zodat geen sprake is van een stoornis in de zin van de Wvggz.
De rechtbank constateert dat er bij betrokkene reeds sinds zeer jonge leeftijd sprake is van ernstige gedragsproblemen en een verstoorde ontwikkeling. Betrokkene is beïnvloedbaar, vertoont risicozoekend gedrag en ziet onvoldoende verband tussen oorzaak en gevolg. Er lijkt sprake te zijn van een beperkte regievoering, emotieregulatie en realiteitsbesef. Hierdoor is betrokkene beperkt in zijn mogelijkheden tot de-escalatie. Op de belangrijkste terreinen van het leven, te weten de woonsituatie, gezinsrelaties, opleiding en werk, is er sprake van aanhoudende problemen. Betrokkene heeft in zijn jeugd verschillende woonsituaties gehad. Hij heeft op een woonboerderij, bij zijn grootouders, bij zijn tante en bij het Leger des Heils gewoond. Momenteel woont betrokkene weer bij zijn ouders. Het zou goed zijn als betrokkene een eigen woonplek zou hebben. Betrokkene komt voor veel woonvoorzieningen echter niet in aanmerking vanwege de complexe problematiek dan wel vanwege het ontbreken van zwakbegaafdheid bij betrokkene. Hierdoor blijft betrokkene noodgedwongen bij zijn familie wonen, terwijl er regelmatig sprake is van hoogoplopende spanningen binnen het gezin. Betrokkene heeft zijn broer eens dusdanig klem gezet, dat er sprake was van ademnood. De ouders lopen continu op hun tenen en zij durven hun kinderen van tussen de 15 en 20 jaar oud niet zonder ouderlijk toezicht thuis te laten, kennelijk uit angst voor escalatie. De politie is meermaals bij het gezin betrokken geweest. Wat opleiding betreft heeft betrokkene eerst speciaal onderwijs genoten binnen Cluster 4. Daarna is hij naar het MBO gegaan. Hier kreeg betrokkene meer vrijheid en verantwoordelijkheid. Omdat hij hier niet goed mee kon omgaan, is hij van school gestuurd. Ook bij de gemeente bestaan zorgen omtrent betrokkene, reden waarom de gemeente een zorgmelding over hem heeft gedaan. De gemeente heeft betrokkene driemaal een werk- en leertraject aangeboden. Het meest recente traject loopt sinds een maand, waarvan hij zich een week zonder opgave van reden niet heeft gemeld.
Gelet op de hiervoor beschreven problemen op verschillende levensgebieden, die hun oorzaak vinden in de stoornis van betrokkene, is de rechtbank van oordeel dat de stoornis betrokkene dusdanig beheerst, dat er sprake is van een stoornis in de zin van de Wvggz.
2.2.
Het verzoekschrift vermeldt dat het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, maatschappelijke teloorgang, ernstig verstoorde ontwikkeling voor of van betrokkene of een ander en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is. Ernstig nadeel met betrekking tot levensgevaar is tijdens de mondelinge behandeling betwist en onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank dit buiten beschouwing laat. Wel oordeelt de rechtbank dat het overigens gestelde ernstig nadeel voldoende is onderbouwd. Kennelijk is er geen sprake van structureel fysiek geweld binnen het gezin (tijdens de mondelinge behandeling verklaren betrokkene en zijn moeder allebei dat er geen klappen vallen), maar door de hoogoplopende spanningen heeft er tenminste één incident plaatsgevonden dat bij de broer van betrokkene heeft geleid tot ademnood. Hiermee is het risico op ernstig lichamelijk letsel gegeven. Aangezien behandeling voor betrokkene ontbreekt en het gezin diverse momenten van angst doormaakt, bestaat het risico op ernstige psychische schade bij zowel betrokkene als het gezin. Verder is er sprake van maatschappelijke teloorgang op het gebied van wonen, werken en relaties. Dat er sprake is van een ernstig verstoorde ontwikkeling van betrokkene en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is, vloeit voort uit het voorgaande.
2.3.
Om ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, heeft betrokkene verplichte zorg nodig.
2.4.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Betrokkene heeft een uitgebreide hulpverleningsgeschiedenis binnen een vrijwillig kader, maar dit heeft onvoldoende resultaat gebracht. Daarnaast is betrokkene onvoldoende bereid om behandeling of zorg op vrijwillige basis te accepteren. Betrokkene wil niet meewerken met de hulpverlenende instanties en is gestopt met het innemen van medicatie. Om die reden is verplichte zorg nodig. De in het verzoekschrift opgenomen vormen van verplichte zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
  • het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening. Dit ziet op het gebruiken van orale medicatie volgens voorschrift en op het meewerken aan (medicatiegebruik gerelateerde) benodigde somatische- en bloed(spiegel)controles conform medicatieprotocol of op indicatie, maar niet op het toedienen van noodmedicatie, aangezien de wet daar reeds voldoende in voorziet;
  • het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen. Dit ziet op het meewerken aan afspraken met ambulante zorgverleners, op afspraken verschijnen en eventuele huisbezoeken toestaan.
De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg, te weten het toedienen van vocht en voeding, het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen ter behandeling van een psychische stoornis en het controleren op de aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen, worden door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd en omdat er onderbouwd verweer tegen deze vormen van zorg is gevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GZ-psycholoog verklaart dat het controleren op de aanwezigheid van middelen vooral bedoeld is om te kunnen vaststellen of, zoals wordt vermoed, bij betrokkene sprake is van (problematisch) middelengebruik. Concrete aanwijzingen dat hiervan sprake is zijn echter niet gesteld of gebleken. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende grond om de verzochte controles als verplichte zorg op te leggen.
2.5.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. De advocaat voert aan dat betrokkene door verplichte zorg enkel meer weerstand zal bieden en de zorgmachtiging daarom niet het beoogde effect zal hebben. De rechtbank is van oordeel dat er op voorhand geen reden is om dit aan te nemen. Het verzet van betrokkene kan op zichzelf geen reden zijn om de gevraagde machtiging af te wijzen, omdat verzet bij de betrokkene inherent is aan het opleggen van verplichte zorg. Bijzondere omstandigheden die maken dat de verplichte zorg in dit geval niet proportioneel is, zijn niet naar voren gebracht. Daarnaast stelt de advocaat zich op het standpunt dat een andere woonvoorziening een minder bezwaarlijk alternatief vormt om het ernstige nadeel weg te nemen, maar gebleken is dat eerdere pogingen daartoe tot onvoldoende resultaat hebben geleid en er momenteel geen mogelijkheden bestaan voor structureel verblijf elders. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.6.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden met ingang van vandaag.

3..Beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [naam betrokkene] voornoemd;
3.2.
bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.4. kunnen worden getroffen;
3.3.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 15 juni 2021.
Deze beschikking is op 15 december 2020 gegeven door mr. H.J. Wieman-Bart, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.