De rechtbank Rotterdam heeft op 10 december 2020 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die werd verdacht van medeplegen van invoer van ongeveer 150 kilogram cocaïne via de Rotterdamse haven in mei 2018. De verdachte had de rol van transporteur van de container vanaf het haventerrein.
De rechtbank heeft wettig en overtuigend bewezen verklaard dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. Er zijn geen omstandigheden gevonden die de strafbaarheid van het feit of de verdachte uitsluiten. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden.
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de grote hoeveelheid cocaïne, de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en de internationale drugshandel. De verdachte had geen aansturende rol en had geen strafblad voor soortgelijke feiten. Hij was direct na aanhouding in vrijheid gesteld en heeft zijn leven weer op orde gebracht.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 2 jaar op, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De voorwaardelijke straf dient ook als stok achter de deur omdat de verdachte nog werkzaam is in de havenwereld. Daarnaast werd de inbeslaggenomen telefoon teruggegeven aan de verdachte.
De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam, met als voorzitter L. Feraaune en rechters J.J. Bade en B.E. Dijkers.