De rechtbank Rotterdam behandelde op 26 februari 2020 de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar, opgelegd bij vonnis van 4 december 2017. De maatregel was voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaar, die op 18 december 2019 eindigde. De vordering werd ingediend op 15 januari 2020, kort na het verstrijken van de proeftijd.
De veroordeelde was veroordeeld voor een winkeldiefstal gepleegd tijdens de proeftijd en hield zich niet aan de bijzondere voorwaarden van de ISD-maatregel, zoals opname in een GGZ-instelling en behandeling van verslavingsproblematiek. De reclassering rapporteerde meerdere terugvallen en het niet naleven van meldplicht en behandeling, met een verhoogd recidiverisico tot gevolg.
De verdediging voerde aan dat de vordering niet-ontvankelijk was en dat de ISD-maatregel niet meer passend was bij de huidige situatie van de veroordeelde. De rechtbank oordeelde echter dat het openbaar ministerie ook na het verstrijken van de proeftijd een vordering tot tenuitvoerlegging kan indienen binnen een redelijke termijn, die hier niet was overschreden.
De rechtbank concludeerde dat de veroordeelde de bijzondere voorwaarden verwijtbaar niet heeft nageleefd en dat de ISD-maatregel dient te worden uitgevoerd voor de volledige duur van twee jaar. Een verkorting van de termijn is niet gerechtvaardigd. De officier van justitie werd ontvankelijk verklaard en de tenuitvoerlegging gelast.