In deze civiele procedure tussen [persoon A] als eiser en [naam firma B] en [naam persoon C] als gedaagden, stond de vraag centraal over de hoedanigheid van de huurder, de beëindiging van de huurovereenkomst en diverse vorderingen over huurachterstanden en kosten.
De kantonrechter stelde vast dat zowel [naam firma B] als [naam persoon C] als huurder van het gehuurde moeten worden aangemerkt. Een eisvermeerdering van [persoon A] tijdens de mondelinge behandeling werd buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.
De huurovereenkomst werd geacht per 1 augustus 2020 met wederzijds goedvinden te zijn beëindigd. De achterstallige huur tot en met juli 2020 van €7.032 werd toegewezen, terwijl de vordering tot betaling van verwarmingskosten en buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De door [naam persoon C] c.s. gevorderde schadevergoeding wegens vermeende onterechte uitzetting werd eveneens afgewezen. Wel werd [persoon A] veroordeeld tot terugbetaling van de waarborgsom van €1.100. Proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.