De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die in een crisisopvang verblijft. De minderjarige is voorlopig onder toezicht gesteld tot 11 maart 2021. De uithuisplaatsing werd aanvankelijk verleend vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling en onveiligheid thuis, onder meer door een teruggekeerde stiefvader die haar eerder mishandeld zou hebben en een conflict met haar moeder.
Tijdens de zitting met gesloten deuren werd de moeder telefonisch gehoord vanwege corona-gerelateerde klachten. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West steunden het verzoek tot verlenging. De minderjarige gaf aan het goed te hebben in de crisisopvang en wenst naar een KamerTrainingsCentrum te gaan om zelfstandigheid te ontwikkelen.
De kinderrechter concludeerde dat de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige nog steeds bedreigd worden en dat de moeder onvoldoende bescherming biedt. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd tot het einde van de voorlopige ondertoezichtstelling. Tevens werd de moeder opgedragen de persoonlijke spullen van de minderjarige, zoals telefoon en paspoort, terug te geven.
De beschikking is mondeling gegeven op 23 december 2020 en schriftelijk vastgesteld op 6 januari 2021. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.