De officier van justitie verzocht bij de rechtbank Rotterdam om een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene. Het verzoekschrift werd ingediend op 7 december 2020, terwijl de schriftelijke mededeling aan betrokkene over de voorbereiding van de zorgmachtiging reeds op 14 augustus 2020 had plaatsgevonden.
Tijdens de mondelinge behandeling op 15 december 2020, die telefonisch plaatsvond vanwege COVID-19 maatregelen, werd vastgesteld dat er sprake was van een termijnoverschrijding van twaalf weken. De advocaat van betrokkene stelde dat de officier het verzoek binnen vier weken na de schriftelijke mededeling had moeten indienen, conform artikel 5:16 WvggzPro in samenhang met artikel 5:17 WvggzPro.
De rechtbank oordeelde dat de overschrijding van de absolute termijn de belangen van betrokkene schaadt en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in het verzoek. Tevens wees de rechtbank op de mogelijkheid voor betrokkene om een schadevergoeding te verzoeken op grond van artikel 10:12 lid 3 WvggzPro.
De beschikking werd mondeling gegeven op 15 december 2020 en schriftelijk uitgewerkt op 17 december 2020 door rechter A.C. Hendriks.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor het indienen van het verzoek tot zorgmachtiging.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/609287 / FA RK 20-9561
Betrokkenenummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 15 december 2020 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene],
geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene]
hierna: betrokkene,
wonende en verblijvende te Rotterdam,
advocaat mr. Ch.J. Nicolaï te Schiedam.
1..Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 4 december 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
de medische verklaring opgesteld door [naam 1] , psychiater, van 25 november 2020;
de zorgkaart van 14 augustus 2020;
het zorgplan van 14 augustus 2020;
de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz; en
het bericht dat er geen relevante politiegegevens en/of de strafvorderlijke- en justitiële gegevens van betrokkene zijn.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 15 december 2020. Bij die gelegenheid zijn op grond van artikel 2 TijdelijkePro wet COVID-19 Justitie en Veiligheid de navolgende personen telefonisch gehoord, omdat het houden van een fysieke zitting vanwege het coronavirus niet mogelijk was:
betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat; en
[naam 2] , sociaalpsychiatrisch verpleegkundige en [naam 3] , begeleider, beiden verbonden aan Parnassia Groep.
1.3.
De officier is niet ter zitting verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2..Beoordeling
2.1.
De advocaat van betrokkene bepleit afwijzing van het verzoek omdat er sprake is van een forse termijnoverschrijding waardoor betrokkene in zijn belangen is geschaad. De advocaat stelt dat de officier op 14 augustus 2020 is gestart met de voorbereiding van de zorgmachtiging. Betrokkene is op deze datum hierover geïnformeerd door de geneesheer-directeur. De officier heeft op 7 december 2020 het onderhavig verzoek bij de rechtbank ingediend. Gelet op artikel 5:16 WvggzPro in samenhang gelezen met artikel 5:17 WvggzPro had de officier een verzoekschrift moeten indienen binnen vier weken na de schriftelijke mededeling aan betrokkene, zoals bedoeld in artikel 5:4 lid 2 sub a WvggzPro.
2.2.
De verpleegkundige heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de termijnoverschrijding het gevolg is van het tekort aan psychiaters binnen de GGZ.
2.3.
De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een forse termijnoverschrijding van twaalf weken. De Wvggz kent een absolute termijn waarbinnen verzoekschriften moeten zijn ingediend. Die is niet gehaald. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene hierdoor in zijn belangen is geschaad. De officier van justitie is daarom niet-ontvankelijk in het verzoek.
2.4.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat betrokkene een schadevergoeding kan verzoeken op grond van artikel 10:12 lid 3 WvggzPro.
3..Beslissing
De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het verzoek.
Deze beschikking is op 15 december 2020 mondeling gegeven door mr. A.C. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van M. Streefland, griffier en op 17 december 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.