Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest.
4.Ontvankelijkheid officier van justitie
5.Waardering van het bewijs
groepen dat die groep toen al
lange(re) tijdbestond. Ook in een gesprek dat [naam medeverdachte 1] met ene [persoon 1] heeft gevoerd op 16 februari 2018 komt het al lang bestaande samenwerkingsverband tussen hem en [naam medeverdachte 2] (‘ [bijnaam medeverdachte 2] ’) aan de orde. In dat gesprek haalt [naam medeverdachte 1] herinneringen op aan zijn begintijd met ‘ [bijnaam medeverdachte 2] ’. Na te hebben opgemerkt dat hij ‘dit werk al heel lang’ doet (blz. 515) zegt hij onder andere het volgende: ‘Het was [de rechtbank begrijpt: in het begin] niet veel hoor. Toen deden [bijnaam medeverdachte 2] en ik tassenwerk, weet je wel?’ Uit dit gesprek volgt tevens dat het ‘werk’ bestaat uit het van schepen afhalen van verdovende middelen. Nu het een feit van algemene bekendheid is dat het bij via de Rotterdamse (en Antwerpse) haven ingevoerde drugs hoofdzakelijk om cocaïne gaat, staat daarmee vast dat de ‘groep’ waartoe [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zich rekenden tot oogmerk had het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne.
structuur. Zij verwijst hiervoor met name naar hetgeen hieronder overwogen zal worden betreffende de resultaten van het onderzoek in zaaksdossier Sint Janshaven, zoals weergegeven op blz. 35-37 van het relaas. Daarin is sprake van de invoer in Nederland van een partij van 171 kilo cocaïne via de haven; duidelijk wordt dat [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] gezamenlijk vanuit een pand in Rotterdam de actie hebben gecoördineerd. Daarbij onderhield [naam medeverdachte 2] de contacten met de chauffeur en [naam medeverdachte 3] die met de eigenaar van de loods waarin de cocaïne diende te worden overgeslagen. Uit de bewijsmiddelen wordt verder duidelijk dat [naam medeverdachte 1] in staat was grote bedragen te investeren in de aankoop van partijen verdovende middelen en ook de overige kosten die gemaakt dienen te worden uit eigen middelen kon bestrijden (blz. 1105).
Het gaat niet om mij het gaat om [bijnaam 2 medeverdachte 1] en zijn geld hij heeft het aan jou af geven jij bent verandwoordelijk niet anderen (…) hij zegt dat het geld allemaal aan jou is afgeven wat jij met die anderen hebt ga je met hun moeten regelen ik zeg je wat [bijnaam 2 medeverdachte 1] tegen me zeg daarom zeg ik jezijn mensen gaan komen (…)”.
Want we hadden dat ding onder die auto geplakt namelijk”, waarop [naam medeverdachte 1] vraagt: “
bij [bijnaam persoon 1][de rechtbank begrijpt: [persoon 3] ]
bedoel je? (…) Ja, maar denk je (…) dat ie achter [bijnaam persoon 1] aan is gegaan of zo?” [naam verdachte] zegt dan: “
Ja tuurlijk,dat was de opdracht toch?” waarop [naam medeverdachte 1] bevestigend antwoordt: “
Ja, ja”. Dat [naam medeverdachte 1] (mede) opdrachtgever was, volgt bovendien uit het OVC-gesprek van 19 februari 2017 tussen [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] , waarin [naam verdachte] bespreekt dat “
de focus er vanaf is dat u[de rechtbank begrijpt: [naam medeverdachte 1] ]
de opdrachtgever ben”.
Als [bijnaam persoon 1] [de rechtbank begrijpt: [persoon 3] ] mij ziet, nou geloof mij nou maar dat hij gaat betalen. (…) Als wij hem in onze handen hebben, dan krijgt niemand die man nooit meer te zien”, waarop [naam verdachte] antwoordt: “
Des te beter, dat is ook de opdracht die ik heb gegeven. Van joh, doe eerst je ding, weet je wel. Ik bedoel: doe je ding om te kijken of hij het ergens nog heeft liggen. Laat hem überhaupt niet gaan en geef hem dan aan ons af.” Met name de opmerking dat “niemand die man (n)ooit meer te zien krijgt”, en de bevestiging van [naam verdachte] dat dát ook de opdracht is die hij heeft gegeven, geeft de rechtbank de overtuiging dat [persoon 6] en de groep mannen die [persoon 3] hebben mishandeld conform de opdracht van [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] hebben gehandeld en hiertoe ook zijn uitgelokt door hen.
Wat wij wilden vragen, als je het nieuwe inkt al hebt kan je dan niet een paar, ietsje lichtere maken. Die andere was een beetje donker ja, als je het ietsje lichter kan maken. (…) [bijnaam persoon 6][de rechtbank begrijpt: [persoon 6] ]
vroeg het want die andere man zie, uh die het wou gaan doen, ehm die [naam] een beetje mooiere foto hebben zodat ie geen vergissing maakt”. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat [naam verdachte] bij de ontmoeting op 22 november 2016 stukken met betrekking tot [persoon 3] , waaronder ook een foto van hem, aan [persoon 6] heeft overhandigd en dat [persoon 6] op een later moment door [persoon 5] heeft laten informeren of [naam verdachte] een lichtere, betere foto kon aanleveren zodat niet de verkeerde persoon zou worden aangepakt voor de schuld aan [naam medeverdachte 1] .
en10a eerste lidOpiumwet;
den gezicht en lichaam van
s
6.Strafbaarheid feiten
7.Strafbaarheid verdachte
8.Motivering straf
9.In beslag genomen voorwerpen
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
11.Bijlagen
12.Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar;
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor voor de feiten 1 en 2: (6) telefoon;