De werknemer trad op 1 april 2018 in dienst bij de werkgever op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor zes maanden, die meerdere malen werd verlengd. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst per brief van 12 mei 2020 aangekondigd niet te verlengen, waardoor deze op 30 juni 2020 eindigde.
De werknemer vorderde betaling van de transitievergoeding, wettelijke rente en incassokosten, stellende dat hij recht had op deze vergoeding omdat de arbeidsovereenkomst niet door hem was opgezegd. De werkgever stelde primair dat de werknemer zelf had opgezegd en subsidiair dat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, waardoor geen transitievergoeding verschuldigd zou zijn.
De rechtbank verwierp het primaire verweer omdat geen duidelijke en ondubbelzinnige opzegging door de werknemer was vastgesteld. Ook het subsidiaire verweer faalde omdat de werkgever onvoldoende feiten had aangevoerd om ernstig verwijtbaar handelen aan te tonen. De enkele omstandigheid dat de werknemer na de aanzegging enkele dagen elders werkte, was niet ernstig verwijtbaar en vond plaats na de aanzegging.
De rechtbank veroordeelde de werkgever tot betaling van de transitievergoeding van € 2.109,17 bruto, vermeerderd met wettelijke rente vanaf opeisbaarheid, en in de proceskosten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.