De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om ondertoezichtstelling (ots) van het ongeboren kind van de moeder, vanwege zorgen over haar opvoedvaardigheden en emotionele regulatie. Tijdens de zitting op 10 februari 2020 heeft de kinderrechter het verzoek behandeld en vastgesteld dat het kind als reeds geboren wordt aangemerkt.
Uit onderzoek en de zitting bleek dat de moeder moeite heeft met het beheersen van haar emoties, met name boosheid, en dat er mogelijk ook fysieke escalaties met haar ex-partner hebben plaatsgevonden. Hoewel er sprake is van een verstandelijke beperking, is de moeder leerbaar en toont zij prille positieve ontwikkelingen. Toch is er nog steeds noodzaak tot begeleiding en ondersteuning, onder meer bij praktische zaken en de zorg voor het kind.
De kinderrechter acht het noodzakelijk om het ongeboren kind onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden, zodat de moeder met professionele hulp kan werken aan het verbeteren van haar opvoedcapaciteiten. Na de geboorte is een kraamhotel en een moeder-kindproject voorzien, met intensieve begeleiding indien nodig. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door belanghebbenden.